<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2020:10915</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-30T12:24:17</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2020-07-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL20.12217</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10915">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2020:10915</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-30T12:23:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2020:10915 Rechtbank Den Haag , 30-07-2020 / NL20.12217</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2020:10915:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel, opvolgende aanvraag, niet-ontvankelijk, overgelegde stukken werpen geen ander licht op eerdere tegenwerping 1F, ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2020:10915:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="8e079fc2-0e54-4657-9eb2-728b0d5b216e" depth="3" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="6d2b7869-fde9-4656-babb-41848a3ea739" depth="3" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL20.12217</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. E.H. Bokhorst),</para>
      <para>en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde: K. Elias).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 3 juni 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.</para>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL20.12218, plaatsgevonden op 20 juli 2020 door middel van een Skype-beeldverbinding. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Altaee. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [1979] .</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Eiser heeft eerder een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 15 april 2019 afgewezen, omdat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Volgens verweerder zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige niet-politieke misdrijven, als bedoeld in artikel 1F onder a en b van het Vluchtelingenverdrag, heeft gefaciliteerd. Eiser heeft gewerkt op de afdeling deserteurs van de Luchtmacht Inlichtingendienst van het huidige Syrische regime. Uit algemene ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken en uit ander objectief verifieerbare landeninformatie over Syrië blijkt dat door de Syrische Militaire Politie en de Syrische veiligheidsdiensten, in de periode waarin eiser werkzaam was, ernstige en stelselmatige mensenrechtenschendingen werden gepleegd. Verweerder heeft gesteld dat sprake was van ‘knowing participation’, omdat eiser wist van de misdrijven die jegens</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>deserteurs zijn gepleegd. Ook heeft verweerder gesteld dat sprake was van ‘personal participation’, omdat eiser met zijn werkzaamheden de omstandigheden heeft geschapen waardoor de Militaire Politie en andere leden van het Syrische regime ernstige mensenrechtenschendingen konden plegen. Eiser heeft de ernstige mensenrechtenschendingen dus gefaciliteerd. Het besluit van 15 april 2019 staat inmiddels vast.</para>
    </parablock>
    <para>3. Op 29 januari 2020 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Die aanvraag ligt ten grondslag aan het nu bestreden besluit. Ter onderbouwing van de onderhavige aanvraag heeft eiser de volgende nieuwe documenten/bewijsmiddelen overgelegd, te weten:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>een arrestatiebevel voor eiser d.d. 21 januari 2018;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een e-mail van eiser aan [A] d.d. [2012] ; en</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>een e-mail van eiser aan [A] d.d. [2011] .</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>4. Verweerder heeft de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar het hierboven genoemde besluit van 15 april 2019. Verweerder heeft gesteld dat sprake is van een opvolgende aanvraag waaraan eiser geen nieuwe elementen of bevindingen ten grondslag heeft gelegd. Volgens verweerder zijn er ook geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde gekomen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Verweerder heeft aldus toepassing gegeven aan artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
    <para>5. Ter onderbouwing van zijn onderhavige aanvraag heeft eiser aangevoerd dat zijn wetenschap van en zijn persoonlijke betrokkenheid bij de genoemde mensenrechtenschendingen dienen te worden genuanceerd. Hij heeft aangevoerd dat hij zijn positie binnen het Syrische regime mede heeft benut om gevoelige informatie te verstrekken aan de journalist [A] .</para>
    <para>6. De rechtbank oordeelt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser bij de onderhavige aanvraag ingediende documenten geen ander licht werpen op hetgeen is vastgesteld in de vorige procedure, zoals onder 2. weergegeven. Dat eiser gevoelige informatie zou hebben verstrekt aan [A] , doet niets af aan hetgeen al beoordeeld is over zijn ‘knowing participation’ en ‘personal participation’. Ook de stelling dat hij nu gezocht wordt door de Syrische autoriteiten, hetgeen zou moeten blijken uit het  arrestatiebevel, laat geen ander licht schijnen op deze beoordeling. De overgelegde stukken raken dus niet aan de basis voor de tegenwerping van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.</para>
    <para>7. Ook in verband met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) baten de ingebrachte stukken eiser niet. In het besluit van 15 april 2019 is immers al bepaald dat eiser aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië in de huidige situatie een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM. Van een dreigende verwijdering naar Syrië is dus hoe dan ook geen sprake.</para>
    <para>8. Al om deze redenen is het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van</para>
      <para>mr. E. Kersten, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De uitspraak is bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>30 juli 2020</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="1ccd9f74-8840-43aa-9682-e733bd3c106b" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: [documentcode]</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>