<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:9704</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T09:13:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-09-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 2669</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHARL:2021:6739" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2021:6739, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/2946</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/9.2.4</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2020/0024</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-0125</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019122312</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:9704">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:9704</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-20T14:03:55</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:9704 Rechtbank Den Haag , 11-09-2019 / AWB - 19 _ 2669</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:9704:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiser heeft geen bewijsstukken voor opgevoerde scholingsuitgaven. Het standpunt van eiseres dat belastingen die worden geheven uit kracht van een wet zijn aan te merken als aftrekbare giften, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Verweerder heeft de aftrek scholingsuitgaven en de aftrek giften terecht niet geaccepteerd.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:9704:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 19/2669</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 september 2019 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser<?linebreak?>(gemachtigde: [A] ),</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar </title>
    <para>De uitspraak van verweerder van 4 april 2019 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser voor het jaar 2013 opgelegde navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (de navorderingsaanslag).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2019. </para>
      <para>Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De zaak is op de zitting gezamenlijk behandeld met het beroep met het zaaknummer </para>
      <para>SGR 19/2668 van [D] , in 2013 de fiscale partner van eiser (de fiscale partner).</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiser heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2013 een totaalbedrag van € 10.049 aan scholingsuitgaven vermeld waarvan - na toepassing van de drempel van € 250 - een bedrag van € 4.800 door eiser in aftrek is gebracht en een bedrag van € 4.999 door de fiscale partner. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 is overeenkomstig de aangifte opgelegd.</para>
    <para />
    <para>2. Omdat eiser, ondanks diverse verzoeken daartoe van verweerder, geen informatie heeft verstrekt over de scholingsuitgaven, heeft verweerder de scholingsuitgaven niet in aftrek toegestaan en de navorderingsaanslag opgelegd. </para>
    <para />
    <para>3. Op 28 december 2018 heeft eiser per brief bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslag en gelijktijdig een gewijzigde aangifte ingediend. In deze aangifte heeft eiser, onder de post andere giften, met als omschrijvingen ‘<emphasis role="italic">Minfin</emphasis>’ en ‘<emphasis role="italic">Minfin2</emphasis>’, een bedrag van € 22.475 aan giften in aftrek gebracht. Hiervan is - na toepassing van de maximale giftenaftrek - € 7.550 toegerekend aan eiser en het resterende bedrag van € 54 aan de fiscale partner.</para>
    <para>4. In geschil is of verweerder de aftrek scholingsuitgaven en de giftenaftrek terecht niet heeft geaccepteerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Scholingsuitgaven</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>5. Op eiser rust, als degene die in aanmerking wenst te komen voor de aftrek, de bewijslast dat sprake is van scholingsuitgaven en dat die tot het door hem opgevoerde bedrag aftrekbaar zijn. Namens eiser is ter zitting verklaard dat hij geen bewijsstukken heeft kunnen vinden voor de door hem opgevoerde scholingsuitgaven. Dergelijke bewijsstukken zijn ook niet eerder door eiser overgelegd. Dat betekent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van aftrekbare scholingsuitgaven. Verweerder heeft de aftrek scholingsuitgaven daarom terecht gecorrigeerd.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Giftenaftrek</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>6. Op grond van artikel 6.32, eerste lid van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften:</para>
    <para>a. periodieke giften of </para>
    <para>b. andere giften. </para>
    <para />
    <para>7. Onder giften wordt ingevolge artikel 6.33, aanhef en onder a van de Wet IB 2001 verstaan: </para>
    <bridgehead role="italic">“bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat.” </bridgehead>
    <para>8. De rechtbank stelt vast dat de giften die eiser in de bezwaarfase heeft opgevoerd geheel bestaan uit de van eiser en de fiscale partner ingehouden loonbelasting. Zoals volgt uit de uitspraak van Gerechtshof Den Haag van 19 maart 2019 (ECLI:NL:GHDHA:2019:550) berust het standpunt van eiser dat belastingen die worden geheven uit kracht van een wet zijn aan te merken als aftrekbare giften, op een onjuiste rechtsopvatting. Verweerder heeft dan ook terecht de door eiser in bezwaar opgevoerde giftenaftrek niet geaccepteerd. </para>
    <para />
    <para>9. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Eiser heeft hiertegen geen zelfstandige gronden aangevoerd. Ook overigens is niet gebleken dat de wettelijke bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast.</para>
    <para />
    <para>10. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J.E. Steijvers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, </para>
      <para>2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>