<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:9180</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-23T14:31:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-08-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 18/8631</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:9180">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:9180</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-02T16:23:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:9180 Rechtbank Den Haag , 29-08-2019 / AWB 18/8631</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:9180:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verzoek opheffing inreisverbod. Voldoet nog niet aan de vereisten. Geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden. Beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:9180:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 18/8631 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam], eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M. Erik,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</para>
      <para>gemachtigde: mr. C.H.H.P.M. Kelderman</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft op 7 november 2018 bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 2 november 2018 (het bestreden besluit). Verweerder heeft het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank, waarna het als beroepschrift is behandeld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2019. Voor eiseres zijn daar verschenen haar gemachtigde en [naam2], haar echtgenoot. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig H. Abdullah, tolk.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres is geboren op [geboortedatum], en heeft de Georgische nationaliteit. Bij besluit van 20 februari 2018 is haar asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. In dat besluit is ook bepaald dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten en is aan haar een inreisverbod opgelegd voor de duur van 2 jaar. Het door eiseres tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 22 maart 2018 door de rechtbank, zittingsplaats Groningen, ongegrond verklaard<footnote-ref linkend="_5a9a68e9-d3bb-44fd-860a-cf4e19b9958a" />. Het besluit is hiermee in rechte vast komen te staan. Op 19 oktober 2018 heeft eiseres verzocht om opheffing van het inreisverbod. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor opheffing van het inreisverbod. Ook is er geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan verweerder desondanks het inreisverbod moet opheffen.</para>
    <para />
    <para>3. Op wat eiseres hiertegen aangevoerd heeft wordt hierna ingegaan.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Artikel 6.5b van het Vb<footnote-ref linkend="_aa391b90-3f9a-44b1-8e75-47bc177ca96f" /> luidt, voor zover hier van belang, als volgt:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">“1. Onze Minister kan op aanvraag het inreisverbod dat is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, tweede lid, van de Wet, opheffen indien de vreemdeling aantoont Nederland geheel in overeenstemming met de op hem rustende verplichting, bedoeld in artikel 61, eerste lid, van de Wet, te hebben verlaten.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="italic">2. In andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister op aanvraag het inreisverbod opheffen, indien de vreemdeling aantoont dat hij sinds zijn vertrek uit Nederland na het inreisverbod een ononderbroken periode van ten minste de helft van de duur van het inreisverbod buiten Nederland heeft verbleven en hij zich in die periode niet schuldig heeft gemaakt aan misdrijven en dat hij niet aan strafvervolging onderworpen is.”</bridgehead>
    <para />
    <para>5. In het geval van eiseres is het inreisverbod opgelegd, nadat aan haar een vertrektermijn is onthouden. Het inreisverbod berust daarmee op artikel 66a, eerste lid, van de Vw. Gelet hierop heeft verweerder terecht getoetst aan de voorwaarden van artikel 6.5b, tweede lid, van het Vb. Niet in geschil is dat eiseres Nederland heeft verlaten en dat zij sindsdien buiten de Europese Unie verblijft. Verder staat vast dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit op 2 november 2018 nog niet tenminste de helft van de duur van het opgelegde inreisverbod buiten de Europese Unie heeft verbleven. Hiermee staat tevens vast dat eiseres ten tijde van het bestreden besluit niet voldeed aan deze voorwaarde voor opheffing van het inreisverbod. Voor zover eiseres stelt dat zij inmiddels wel hieraan voldoet, beroept zij zich op een omstandigheid die zich eerst na het bestreden besluit kan hebben voorgedaan. De rechtbank dient te oordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden ten tijde van het bestreden besluit, zodat dit niet kan leiden tot een geslaagd beroep.</para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft verder terecht overwogen dat eiseres geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft gesteld die aanleiding zouden moeten zijn om het inreisverbod desondanks op te heffen. Voor zover eiseres zich heeft beroepen op het recht op bescherming van het gezinsleven met haar echtgenoot zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_3a73c27c-b1d1-4099-b208-473672d68c16" />, geldt dat dit omstandigheden betreft die al zijn betrokken bij de beoordeling van de beslissing tot het opleggen van het inreisverbod. De aangevoerde omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres als ondernemer niet in staat is om haar in Georgië te bezoeken is niet onderbouwd. Dat de echtgenoot recent, sinds 1 augustus 2018, een onderneming heeft, betreft zijn eigen keuze. De stelling daarbij dat hij als ondernemer logischerwijs niet de mogelijkheid heeft om naar Georgië te reizen levert dan ook niet op voorhand een bijzondere omstandigheid op. Eiseres heeft haar stelling verder niet geconcretiseerd en met stukken onderbouwd.</para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_5a9a68e9-d3bb-44fd-860a-cf4e19b9958a" label="1">
    <para> NL18.3781</para>
  </footnote>
  <footnote id="_aa391b90-3f9a-44b1-8e75-47bc177ca96f" label="2">
    <para> Vreemdelingenbesluit 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3a73c27c-b1d1-4099-b208-473672d68c16" label="3">
    <para> Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>