<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:8286</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-12T17:32:39</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-11</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19-2563</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:8286">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:8286</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-08-12T17:32:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-08-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:8286 Rechtbank Den Haag , 11-07-2019 / AWB 19-2563</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:8286:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>De aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie-of gezinslid’ is ingewilligd. Eisers zijn het niet eens met de ingangsdatum. In tegenstelling tot wat zij betogen, hebben eisers niet eerder de gevraagde documenten overgelegd. Verweerder heeft daarom de juiste ingangsdatum gehanteerd. Het beroep wordt ongegrond verklaard.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:8286:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 19/2563 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 juli 2019 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , </bridgehead>
    <para>geboren op [geboortedatum 1] , van Ghanese nationaliteit, eiseres </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>mede namens haar minderjarige kind,</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [naam] </emphasis>
      </para>
      <para>geboren op [geboortedatum 2] , van Ghanese nationaliteit, </para>
      <para>(gemachtigde [naam] ),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: [naam] ). </para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 26 juli 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 25 april 2018 verlening van een verblijfsvergunning  onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam] ’ afgewezen. Hiertegen heeft eiseres op 21 augustus 2018 bezwaar ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 7 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres ingewilligd en eiseres in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met ingang van 5 maart 2019. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 april 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen het bestreden besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juli 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voorzieningenrechter/rechtbank (hierna te noemen: rechtbank) onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Motivering</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 26, eerste lid van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 wordt een verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag dat de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet. Het is dus aan eiseres om aan te tonen dat zij aan de voorwaarden voldoet. Op het moment dat zij daaraan voldoet, wordt de verblijfsvergunning verleend. </para>
    <para />
    <para>2. Volgens eiseres voldeed zij al op 21 augustus 2018 aan de voorwaarden van de aangevraagde vergunning. Zij heeft toen namelijk alle benodigde stukken overgelegd. De rechtbank oordeelt anders en zal dat hierna uitleggen. </para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft eiseres om een tweetal documenten gevraagd. Deze documenten heeft eiseres niet overgelegd binnen de daarvoor gestelde termijn. Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit van 26 juli 2018 de aanvraag afgewezen. Eiseres is daarna in bezwaar gegaan en heeft toen bij faxbericht van 21 augustus 2018 één document overgelegd, namelijk de ongehuwdverklaring. De eveneens gevraagde toestemmingsverklaring kon zij niet overleggen, aldus eiseres. Verweerder heeft vervolgens in de bezwaarfase, namelijk op 18 december 2018, nadere informatie van eiseres gevraagd. Zo heeft verweerder ook gevraagd om stukken ten aanzien van de relatie tussen eiseres en referent. Daarvoor waren er op dat punt namelijk geen stukken overgelegd. </para>
    <para />
    <para>4. Op 5 maart 2019 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en zijn eiseres en referent bevraagd over hun relatie. Verweerder heeft vervolgens aanleiding gezien om de gevraagde vergunning te verlenen met ingang van 5 maart 2019. Met verweerder oordeelt de rechtbank dat eiseres op dat moment aangetoond heeft dat zij aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning voldeed. Op grond van artikel 26 van de Vw 2000 hoefde verweerder dus pas op dat moment het verblijfsrecht in te laten gaan. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. M.J.S. Kempers </para>
      <para>				mr. A.K. Mireku</para>
      <para>griffier </para>
      <para>						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>afschrift verzonden op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. </para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>