<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:7449</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-24T09:16:46</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18/8080 en 18/8081</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7449">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7449</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-24T09:16:05</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:7449 Rechtbank Den Haag , 02-07-2019 / 18/8080 en 18/8081</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:7449:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>duurzaam verblijf burgers van de Unie en familieleden</para>
        <para>artikel 9 Vw, artikel 8.12 Vb</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>Omvang geding – geen rechtmatig verblijf als economisch niet-actieve burger – eiseres kan geen verblijfsrecht ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez en de arresten Teixeira en Ibrahim – geen schending hoorplicht – belangenafweging bij van rechtswege eindigen verblijfsrecht ten onrechte niet gemaakt – beroep gegrond – rechtsgevolgen in stand</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:7449:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Utrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 18/8080 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , (V-nummer: [V-nummer] ), eiseres</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M. Walther),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven). </para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 28 mei 2018 (het primaire besluit 1) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres geen verblijfsrecht heeft gehad als burger van de Unie. Bij besluit van diezelfde datum (het primaire besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot afgifte van een document</para>
      <para>‘duurzaam verblijf voor burgers van de Unie en hun familieleden’ van 28 september 2017 afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de primaire besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om vrijstelling van de verplichting tot het betalen van het verschuldigde griffierecht. Uit het door eiseres overgelegde formulier van 30 november 2018 en de bij brief van 6 februari 2019 overgelegde stukken volgt dat zij een zeer laag inkomen heeft. Eiseres voldoet daarmee aan de voorwaarden voor vrijstelling van het betalen van griffierecht. Aan eiseres wordt daarom vrijstelling van de betaling van griffierecht verleend. </para>
    <para />
    <para>2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Franse nationaliteit. Zij is getrouwd met [A] ( [A] ) en hij heeft de Nederlandse nationaliteit. De relatie tussen hen is inmiddels beëindigd en zij zijn verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Zij hebben samen twee kinderen: [minderjarige 1] ( [geboortedatum] 2003) en [minderjarige 2] ( [geboortedatum] 2010). De kinderen wonen in een pleeggezin. </para>
    <para>Eiseres verblijft sinds 2001 in Nederland. Zij heeft op 28 september 2017 verzocht om afgifte van een document “duurzaam verblijf voor burgers van de Unie en hun familieleden” (document ‘duurzaam verblijf’).</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen. Verweerder heeft geconcludeerd dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Verweerder heeft daarom vastgesteld dat zij nooit rechtmatig verblijf heeft gehad als Unieburger. In het verlengde daarvan heeft verweerder ook geen document ‘duurzaam verblijf’ verstrekt, omdat daarvoor is vereist dat zij tenminste vijf jaar rechtmatig verblijf heeft als Unieburger.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Omvang van het geding – de brief van verweerder van 11 april 2019</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft de rechtbank op 11 april 2019 schriftelijk op de hoogte gesteld dat eiseres, aan de hand van de stukken die zij op 8 april 2019 heeft aangeleverd,  heeft aangetoond dat zij met ingang van 1 januari 2019 rechtmatig verblijf heeft in Nederland als economisch actieve Unieburger. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat – anders dan in het verweerschrift staat – het bestreden besluit is ingetrokken voor zover het ziet op de vaststelling dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland en dat hierover een nieuw besluit zal volgen. Verweerder stelt dat eiseres daarom geen belang meer heeft bij de beoordeling van de vaststelling dat zij nooit rechtmatig verblijf heeft gehad. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het gericht is tegen de vaststelling dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt dat de omvang van het geding in beroep wordt bepaald door het bestreden besluit (en de daartegen gerichte beroepsgronden). De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden en naar de feiten en omstandigheden die ten tijde van het nemen van het bestreden besluit golden. Aan de rechtbank ligt in dit geval dus voor de vaststelling van verweerder dat eiseres tot 2 oktober 2018 (datum bestreden besluit) nooit rechtmatig verblijf heeft gehad in Nederland als Unieburger. In het verlengde daarvan ligt ook de vraag voor of eiseres duurzaam rechtmatig verblijf heeft in Nederland. </para>
    <para>De vaststelling in de brief van verweerder van 11 april 2019 dat eiseres per 1 januari 2019 wel rechtmatig verblijf heeft als Unieburger valt buiten de omvang van het geding, omdat deze vaststelling betrekking heeft op een datum na het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat eiseres nog belang heeft bij de beoordeling van de vaststelling dat zij tot 2 oktober 2018 nooit rechtmatig verblijf heeft gehad.<footnote-ref linkend="_f8c3666a-32dd-4c00-8dd7-dde092d6df78" /></para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Rechtmatig verblijf als economisch niet-actieve burger</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Eiseres heeft aangevoerd dat zij in de periode van 2001 tot 22 juni 2017 rechtmatig verblijf heeft gehad als economisch niet-actieve burger. De ex-partner van eiseres beschikte sinds hun gezamenlijk verblijf in Nederland vanaf 2001 over inkomsten uit arbeid als zelfstandige. Eiseres stelt primair dat dit afdoende blijkt uit de bijgevoegde uittreksels van de Kamer van Koophandel van de onderneming van haar ex-partner, de bankafschriften over de periode van 2013 tot en met 2018 en de ‘verklaringen geregistreerd inkomen’ van de Belastingdienst over de jaren 2013 tot en met 2015. Subsidiair stelt eiseres dat sprake is van bewijsnood. Ze is niet in staat meer gegevens over te leggen, omdat haar ex-partner haar geen financiële stukken van zijn onderneming wil verstrekken.</para>
    <para />
    <para>7. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) moet iedere Unieburger die duurzaam verblijf in een lidstaat beoogt te verkrijgen, zelf aantonen dat hij of zij voldoet aan de daarvoor geldende vereisten.<footnote-ref linkend="_5b764f4e-2ec5-450d-b496-057f8216c9c8" /> Dit volgt ook uit het arrest Ziolkowski en Szeja van Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ).<footnote-ref linkend="_a61a313b-87c3-4e9d-aa2a-97c7e6fc5141" /></para>
    <para>Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat haar ex-partner in de periode tussen 2001 en 2017 over voldoende middelen heeft beschikt. Over de overgelegde ‘verklaringen geregistreerd inkomen’ van de belastingdienst over de jaren 2013-2015 heeft verweerder terecht gesteld dat deze geen inzicht geven in de werkelijk beschikbare middelen. De overgelegde bankafschriften geven dat inzicht evenmin. De bankafschriften zien slechts op enkele maanden van de genoemde jaren en geven bovendien geen blijk van de inkomsten van de onderneming van de ex-partner van eiseres. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij in bewijsnood verkeert. Hiertoe is van belang dat nergens uit blijkt dat eiseres inspanningen heeft verricht om aan stukken te komen van haar ex-partner. Verweerder heeft eiseres daarom mogen tegenwerpen dat haar ex-partner niet over voldoende middelen heeft beschikt en dat zij geen rechtmatig verblijf heeft gehad als economisch niet-actieve burger. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Artikel 12 van de Verordening 1612/68 EEG (oud)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Eiseres heeft aangevoerd dat zij op grond van artikel 12 van de Verordening 1612/68 EEG (oud)<footnote-ref linkend="_27d31461-f612-45ad-a188-b1febf142879" /> recht heeft op verblijf hier in Nederland, omdat haar kinderen hier naar school gaan en zij hen tot voor kort heeft verzorgd en opgevoed. Eiseres verwijst naar de arresten Ibrahim en Teixeira van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 23 februari 2010.<footnote-ref linkend="_941e5f6c-d11b-49a4-9156-040a85ff3c0b" /></para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank overweegt dat uit de arresten Ibrahim en Teixeira volgt dat een persoon met de nationaliteit van een lidstaat die werknemer is geweest in Nederland en daadwerkelijk de zorg heeft voor zijn kind dat hier onderwijs volgt, evenals dit kind, recht van verblijf heeft in Nederland. De betrokken Unieburger hoeft dan niet te voldoen aan de voorwaarden van artikel 8.12, eerste lid, van het Vb.</para>
    <para>De rechtbank is van oordeel dat de arresten niet van toepassing zijn op de situatie van eiseres. De kinderen van eiseres hebben immers de Nederlandse nationaliteit en hebben op grond daarvan verblijfsrecht in Nederland. Zij ontlenen geen verblijfsrecht aan artikel 12 van de Verordening 1612/68 EEG (oud). Eiseres kan om die reden ook geen rechten ontlenen aan artikel 12 van de Verordening 1612/68 EEG (oud) en moet dus voldoen aan de vereisten van artikel 8.12 van het Vb. De beroepsgrond slaagt niet. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Het arrest van het HvJ van 10 mei 2017 (Chavez-Vilchez)</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_095bd215-3073-4164-92cd-bbea8a57650f" />
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Eiseres heeft een beroep gedaan op het arrest Chavez-Vilchez. Zij heeft ter zitting erkend dat het arrest niet één op één van toepassing is, omdat zij een Unieburger is. Eiseres heeft betoogd dat het arrest Chavez-Vilchez evenwel leidt tot omgekeerde discriminatie, omdat zij als Unieburger slechter wordt behandeld dan derdelanders. Als derdelander had eiseres namelijk verblijfsrecht kunnen ontlenen aan het arrest Chavez-Vilchez, haar kinderen zijn immers Nederlands. Verweerder dient volgens eiseres het arrest daarom naar analogie toe te passen op de situatie van eiseres. </para>
    <para />
    <para>11. De rechtbank overweegt dat in het arrest Chavez-Vilchez en het arrest Zambrano<footnote-ref linkend="_cc2cca5d-7543-4990-a611-4fd12ab340ac" /> dat daaraan vooraf ging – samengevat – is bepaald dat lidstaten het verblijfsrecht niet kunnen ontzeggen aan een ouder, onderdaan van een derde land, van een kind met de nationaliteit van die lidstaat, als dit er toe zou leiden dat dit kind het grondgebied van de Europese Unie moet verlaten. Niet in geschil is dat eiseres geen derdelander is en om die reden geen beroep kan doen op deze arresten. Het betoog van eiseres dat zij als Unieburger wordt gediscrimineerd ten opzichte van derdelanders die wel een verblijfsrecht ontlenen aan bovengenoemde arresten, volgt de rechtbank niet. Niet gebleken is immers dat de kinderen van eiseres het effectieve genot van de rechten die zij hebben als burger van de Unie wordt ontzegd, doordat zij genoodzaakt zouden zijn de Europese Unie te verlaten indien eiseres naar Frankrijk vertrekt. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">De hoorplicht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>12. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat de hoorplicht is geschonden, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van vaste rechtspraak van de ABRvS mag verweerder met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van horen afzien indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van de primaire besluiten en wat daartegen in bezwaar is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor en heeft verweerder kunnen afzien van horen. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Belangenafweging bij van rechtswege eindigen verblijfsrecht</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>13. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder bij de vaststelling dat eiseres nooit rechtmatig verblijf heeft gehad, gehouden was een belangenafweging te maken. Het standpunt van verweerder dat een belangenafweging enkel nodig is in het geval er actief wordt ingegrepen in een bestaand verblijfsrecht is, gelet op de uitspraken van de ABRvS van 7 november 2018<footnote-ref linkend="_893bcfaf-a6a5-4ce2-88b9-465f0735ac71" /> niet langer houdbaar, aldus eiseres.</para>
    <para />
    <para>14. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat uit de uitspraken van de ABRvS van 7 november 2018 volgt dat hij een belangenafweging had moeten maken. Een dergelijke belangenafweging ontbreekt en daarmee bevat het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat uitzetting inmiddels niet meer aan de orde is, omdat eiseres per 1 januari 2019 rechtmatig verblijf als Unieburger heeft in Nederland. Een belangenafweging hoeft daarom niet meer te worden gemaakt, aldus verweerder.</para>
    <para />
    <para>15. De rechtbank overweegt dat de ABRvS in genoemde uitspraken van 7 november 2018 heeft geoordeeld dat een richtlijnconforme uitleg van artikel 8.16, eerste lid, vierde zin, van het Vb meebrengt, dat verweerder de in die bepaling bedoelde belangenafweging niet alleen maakt als hij vaststelt dat het rechtmatig verblijf van een burger van de Unie niet langer bestaat en die burger daarbij meedeelt dat hij Nederland moet verlaten, maar ook als hij vaststelt dat een dergelijk verblijfsrecht, als bedoeld in artikel 8.12 van het Vb, nooit heeft bestaan en de burger daarbij een dergelijke mededeling doet. Vast staat dat verweerder in eerste instantie geen belangenafweging heeft gemaakt. Het bestreden besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd. </para>
    <para />
    <para>16. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en acht daartoe het volgende van belang. Uit de brief van verweerder van 11 april 2019 is gebleken dat eiseres per 1 januari 2019 verblijfsrecht heeft in Nederland als economische actieve Unieburger. Dat betekent dat eiseres niet langer meer is aangezegd dat zij Nederland moet verlaten. Een belangenafweging in dat kader is om die reden niet meer nodig. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand laten. </para>
    <para />
    <para>17. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,-, en een wegingsfactor 1). Als aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.024,--. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, voorzitter en mr. G.P. Loman en mr. C. Karman, leden, in aanwezigheid van mr. A.G.C. Bulten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier												rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title> Bijlage </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Relevant wettelijk kader</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verblijfsrichtlijn 2004/38/EG (PB L 158)</title>
    <para>Artikel 7 - Verblijfsrecht voor meer dan drie maanden</para>
    <para>1. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden op het grondgebied van een andere lidstaat te verblijven:</para>
    <para>[…]</para>
    <para>b) indien hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste komen van het socialebijstandsstelsel van het gastland, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het gastland volledig dekt, of</para>
    <para>[…]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 16 - Algemene regel voor burgers van de Unie en hun familieleden</para>
    </parablock>
    <para>1. Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht. Dit recht is niet onderworpen aan de voorwaarden van hoofdstuk III.</para>
    <para>[…]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 19 - Aan burgers van de Unie te verstrekken documenten ter staving van duurzaam verblijf</para>
    </parablock>
    <para>1. Op hun verzoek en na verificatie van de duur van het verblijf, verstrekken de lidstaten aan de burgers van de Unie die duurzaam verblijfsrecht genieten een document ter staving hiervan.</para>
    <para>2. Het document ter staving van duurzaam verblijf wordt zo spoedig mogelijk verstrekt.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Vreemdelingenbesluit 2000</title>
    <para>Artikel 8.7</para>
    <para>1. Deze paragraaf is van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.</para>
    <para>2. Deze paragraaf is eveneens van toepassing op de familieleden die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleiden of zich bij hem in Nederland voegen, voor zover het betreft:</para>
    <para>a. de echtgenoot;</para>
    <para>[…]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8.12</para>
    </parablock>
    <para>1. De vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, heeft langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, indien hij:</para>
    <para>a. in Nederland werknemer of zelfstandige is dan wel Nederland is ingereisd om werk te zoeken en kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft;</para>
    <para>b. voor zichzelf en zijn familieleden beschikt over voldoende middelen van bestaan en over een verzekering die de ziektekosten in Nederland volledig dekt;</para>
    <para>[…]</para>
    <para>d. een familielid als bedoeld in artikel 8.7, tweede lid, is van een vreemdeling als bedoeld onder a of b;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8.17</para>
    </parablock>
    <para>1. Duurzaam verblijfsrecht in Nederland heeft:</para>
    <para>a. de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, die gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad;</para>
    <para>[…]</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Artikel 8.20 </para>
    </parablock>
    <para>1. Onze Minister verstrekt de vreemdeling, bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, met duurzaam verblijfsrecht en die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, op aanvraag een verblijfsdocument, waarvan het model wordt vastgesteld bij ministeriële regeling. […].</para>
  </section>
  <footnote id="_f8c3666a-32dd-4c00-8dd7-dde092d6df78" label="1">
    <para>Het wettelijk kader dat van toepassing is, is bijgevoegd in een aparte bijlage. </para>
    <para />
  </footnote>
  <footnote id="_5b764f4e-2ec5-450d-b496-057f8216c9c8" label="2">
    <para> Uitspraak van de ABRvS van 15 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3170.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a61a313b-87c3-4e9d-aa2a-97c7e6fc5141" label="3">
    <para> Arrest van het HvJ van 21 december 2011, ECLI:EU:C:2011:866. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_27d31461-f612-45ad-a188-b1febf142879" label="4">
    <para> Artikel 12 Verordening 1612/68 (oud) is vervangen door artikel 10 van de Verordening 492/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_941e5f6c-d11b-49a4-9156-040a85ff3c0b" label="5">
    <para> Arresten van het HvJ van 23 februari 2010 (C-310/08 Ibrahim en C-480/08 Teixeira).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_095bd215-3073-4164-92cd-bbea8a57650f" label="6">
    <para> Arrest van HvJ EU van 10 mei 2017, C‑133/15 (Chavez‑Vilchez).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cc2cca5d-7543-4990-a611-4fd12ab340ac" label="7">
    <para> Arrest van HvJ EU van 15 november 2011, C-256/11 (Zambrano).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_893bcfaf-a6a5-4ce2-88b9-465f0735ac71" label="8">
    <para>ECLI:NL:RVS:2018:3584 en ECLI:NL:RVS:2018:3585. </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>