<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:7181</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-17T16:00:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBAMS:2019:3687</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 19 _ 1506</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7181">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:7181</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-17T15:10:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:7181 Rechtbank Den Haag , 24-05-2019 / AWB - 19 _ 1506</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:7181:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzing derde aanvraag Turkse zelfstandige, kapper, tweede aanvraag afgewezen na negatief advies RvO, in nieuwe ondernemingsplan gebrek niet hersteld. Afwijzing vovo, bezwaar ongegrond ogv 78 Vw.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:7181:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 19/1506 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [persoonsnummer]
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 mei 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1992, van Turkse nationaliteit, verzoeker,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. H. Dogan)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, </bridgehead>
    <parablock>
      <para>verweerder,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S. Bozkurt-Chhiba) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met het besluit van 29 januari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij ‘ [bedrijf 1] ’ afgewezen. Verzoeker heeft op 26 februari 2019 bezwaar gemaakt tegen dit besluit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de brief van dezelfde datum heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het bezwaar is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter heeft het verzoek aan de orde gesteld op de zitting van 10 mei 2019. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Indien een verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan om uitzetting te voorkomen voordat is beslist op het bezwaar dat is gericht tegen de beschikking tot afwijzing van de aanvraag of intrekking van de verblijfsvergunning, beslist de voorzieningenrechter van de rechtbank op grond van artikel 78 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 zoveel mogelijk tevens over dat bezwaar. </para>
    <para>
      <?linebreak?>
    </para>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Verzoeker heeft eerder op 28 april 2015 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij ‘ [bedrijf 2] ’. Verzoeker heeft deze aanvraag op 13 juli 2015 ingetrokken. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Daarna heeft verzoeker op 17 mei 2016 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige bij ‘ [bedrijf 1] ’. Verzoeker is op 6 mei 2016 als vennoot toegetreden tot deze onderneming. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag in bezwaar voorgelegd aan de minister van Economische Zaken (EZ). De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) heeft op 31 augustus 2017 negatief geadviseerd. Vervolgens heeft verweerder de afwijzing met het besluit van 19 oktober 2017 gehandhaafd. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>Uit het RvO-advies volgt dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij van wezenlijke meerwaarde is voor de onderneming en dat zijn verdiensten zodanig zijn dat hij met de resultaten in zijn levensonderhoud kan voorzien. Ook is niet aannemelijk gemaakt dat toetreding tot de onderneming geen negatieve effecten heeft op de markteconomie en de werkgelegenheidssituatie. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4.</nr>
      <para>Deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft met de uitspraak van 7 augustus 2018<footnote-ref linkend="_0876ac14-b8d0-45f7-8609-f02cc43766e5" /> het beroep gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit van 19 oktober 2017 in stand gelaten. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft de uitspraak van de rechtbank met de uitspraak van 4 januari 2019 bevestigd. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5.</nr>
      <para>Op 19 oktober 2018 heeft verzoeker weer een aanvraag gedaan voor het verrichten van arbeid als zelfstandige als vennoot bij hetzelfde bedrijf. Verzoeker heeft daarbij onder meer een nieuw ondernemingsplan van 1 oktober 2018 overgelegd. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker in het nieuwe ondernemingsplan niets heeft opgenomen dat de conclusies het RVO-advies weerlegt. Verzoeker heeft niet aangetoond dat hij als zelfstandige op onderscheidende wijze een wezenlijke bijdrage heeft geleverd of kan gaan leveren aan de omzet- en winstontwikkeling en evenmin dat hij met zijn werkzaamheden in een concrete behoefte voorziet. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>4. Verzoeker is het daar niet mee eens en heeft aangekondigd dat hij met de jaarrekening 2018 en de aangifte inkomstenbelasting zijn standpunt zal bevestigen. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="italic">Beoordeling door de voorzieningenrechter </emphasis>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Verzoeker doet nu voor de derde maal een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige. De tweede aanvraag, bij hetzelfde bedrijf, is voorgelegd aan de RvO en na een negatief advies van de RvO afgewezen. Verzoeker heeft deze aanvraag zonder succes uitgeprocedeerd tot aan de Afdeling. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>De voorzieningenrechter onderschrijft het standpunt van verweerder dat het negatieve RvO-advies nog steeds geldt en dat verzoeker in het nieuwe ondernemingsplan van 1 oktober 2018 de gebreken niet heeft hersteld. Verzoeker heeft zijn meerwaarde in de onderneming niet aannemelijk gemaakt. Verzoeker heeft aangekondigd dat hij met nieuwe informatie komt, maar heeft dit niet gedaan. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Verweerder heeft dan ook de aanvraag terecht afgewezen, omdat verzoeker niet heeft aangetoond dat met zijn werkzaamheden een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>6. Het bezwaar heeft op dit moment geen redelijke kans van slagen. Ondanks de gestelde belangen wijst de voorzieningenrechter daarom het verzoek af. Omdat het bestreden besluit op goede gronden is genomen, verklaart de voorzieningenrechter het bezwaar daartegen ongegrond met toepassing van artikel 78 van de Vw 2000. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
      <para>7. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht is geen aanleiding. </para>
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het bezwaar, gericht tegen het besluit van verweerder van 29 januari 2019, met [zaaknummer] , ongegrond; </para>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. 	</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.H. Kalse-Spoon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 mei 2019.<?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier, </para>
      <para>						voorzieningenrechter,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open. </para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <footnote id="_0876ac14-b8d0-45f7-8609-f02cc43766e5" label="1">
    <para> Procedurenummer AWB 17/15693.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>