<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:6446</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-07-01T12:07:50</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.6623</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6446">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6446</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-06-28T11:42:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-07-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:6446 Rechtbank Den Haag , 27-05-2019 / NL19.6623</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:6446:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Beroep ongegrond. Opvolgende asielaanvraag. Gestelde homoseksuele gerichtheid nog steeds ongeloofwaardig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:6446:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL19.6623</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M. Walls),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">de minister van Justitie en Veiligheid</emphasis>
        <footnote-ref linkend="_20775950-6dd4-4e7d-8324-10443323cc8c" />, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Op 22 maart 2019 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn opvolgende asielaanvraag van 5 september 2018.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 april 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. <?linebreak?></para>
      <para>Eisers beroep van 22 maart 2019 heeft op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_7b16b6b2-0a89-47ba-b308-b514ad0694f3" /> van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 april 2019. </para>
      <para>
        <?linebreak?>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.9952, plaatsgevonden op 16 mei 2019.Eiser is ter zitting verschenen samen met zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen D. Madjlessi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt de Afghaanse nationaliteit te bezitten en te zijn geboren op [geboortedatum]. Eiser heeft op 22 november 2015 een asielaanvraag ingediend, waaraan hij ten grondslag heeft gelegd dat hij vanwege zijn homoseksuele gerichtheid problemen vreest bij terugkeer naar zijn land. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 24 mei 2017 afgewezen als ongegrond. Het tegen dit besluit ingediende beroep is bij uitspraak van 30 november 2017 van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, ongegrond verklaard. De Afdeling<footnote-ref linkend="_2964a4d9-9dfd-4aa4-bafe-ad06d76861a7" /> heeft deze uitspraak op 23 maart 2018 bevestigd, waarmee het besluit van 24 mei 2017 in rechte vast is komen te staan. </para>
    <para />
    <para>2. Op 5 september 2018 heeft eiser opnieuw een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft op 29 oktober 2018 meegedeeld voornemens te zijn eisers asielaanvraag buiten behandeling te stellen, omdat sprake is van een onvolledige aanvraag en eiser een termijn gegeven om zijn aanvraag te completeren. Eiser verklaart in zijn zienswijze van 31 oktober 2018 dat hij homoseksueel is en hij legt ter onderbouwing daarvan een verklaring van het COC Twente-Achterhoek over van 25 oktober 2018. Verder beroept eiser zich op de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan. Bij brief van 24 januari 2019 bericht verweerder dat eisers asielaanvraag niet buiten behandeling wordt gesteld. Bij brief van </para>
    <para>7 maart 2019 stelt eiser verweerder in gebreke, nu niet tijdig is beslist op zijn asielaanvraag. Op 22 maart 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Bij besluit van 29 april 2019 heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw<footnote-ref linkend="_5cf3b79f-3233-41b7-99a4-bd590b634838" />.</para>
    <para />
    <para>3. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb<footnote-ref linkend="_de25db27-9ee4-4c30-941e-686182adb082" /> heeft eisers beroep van 22 maart 2019 van rechtswege mede betrekking op het besluit van 29 april 2019. Ter zitting heeft eiser het beroep dat ziet op het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag ingetrokken, zodat alleen de beroepsgronden tegen het bestreden besluit zullen worden beoordeeld. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank stelt voorop dat in de vorige procedure in rechte vast is komen te staan dat eiser zijn gestelde homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft gemaakt. Allereerst is in geschil of eiser zijn geaardheid alsnog geloofwaardig heeft kunnen maken. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Homoseksuele gerichtheid geloofwaardig?</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. Eiser is gehoord door een zeer ervaren contactambtenaar, die alle vereiste cursussen voor het horen van kwetsbare personen gevolgd heeft. Daarnaast heeft verweerder eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag voldoende in de gelegenheid gesteld zijn gestelde homoseksuele gerichtheid toe te lichten en vooral om toe te lichten wat er veranderd is ten opzichte van de vorige procedure. Verweerder heeft daarbij terecht opgemerkt dat het aan eiser zelf is om uit te leggen waarom zijn situatie nu anders is. Dat heeft eiser niet gedaan. </para>
    <para />
    <para>6. Verder heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn gestelde homoseksuele gerichtheid nog steeds niet geloofwaardig zijn. De verklaring van het COC is opgesteld op verzoek van eiser, zodat al om die reden aan deze verklaring niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan gehecht wenst te zien. Verder bevestigt die verklaring slechts dat eiser enkele gesprekken heeft gevoerd bij het COC en enkele bijeenkomsten heeft bijgewoond. Verweerder heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat verklaringen over activiteiten of verklaringen van bekenden niet maken dat de gestelde seksuele gerichtheid van de vreemdeling als geloofwaardig aangemerkt moet worden. Dergelijke informatie kan weliswaar dienen als ondersteuning van een gestelde seksuele gerichtheid, maar dit laat onverlet dat de vreemdeling (ook) zelf tegenover verweerder aan de hand van zijn verklaringen zijn seksuele gerichtheid aannemelijk moet maken<footnote-ref linkend="_24f77832-00d9-4ecb-9d44-022df6155313" />. Ook de nieuwe WI<footnote-ref linkend="_89a3eaf6-908a-4643-a298-29eebbb39706" /> 2018/9 leidt niet tot een andere uitkomst. Bij de beoordeling van onderhavige asielaanvraag heeft verweerder de werkwijze zoals neergelegd in WI 2018/9 toegepast. WI 2018/9 vervangt per 1 juli 2018 </para>
    <para>WI 2015/9. In WI 2018/9 wordt (nog steeds) primair gekeken naar het authentieke, individuele verhaal op basis van eigen verklaringen van de vreemdeling, waarbij ook andere informatie in het dossier bij de besluitvorming wordt betrokken. </para>
    <para />
    <para>7. De beroepsgronden die betrekking hebben op de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers gestelde homoseksuele gerichtheid, treffen dus geen doel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Situatie in Afghanistan</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Eiser voert tot slot aan dat in het gebied waaruit hij afkomstig is, namelijk het district Karabach in de provincie Ghazni in Afghanistan, sprake is van een algemene situatie van onveiligheid, als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn<footnote-ref linkend="_766a4511-a3b8-40cc-ad8d-8b229d8c022a" />. Daarbij heeft eiser in beroep verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 7 mei 2019<footnote-ref linkend="_f671ffa2-7787-4e1a-ad81-f0aaf54963d3" /> en de daarin genoemde landeninformatie. In de zienswijze heeft eiser verwezen naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 15 januari 2019<footnote-ref linkend="_7c571675-4c17-45be-b033-37c76a9a94d7" />, van 4 april 2019<footnote-ref linkend="_9fb8d37e-7548-4265-842f-922ba977e4ec" /> en van 9 april 2019<footnote-ref linkend="_9001d72c-1e6d-4731-a402-6e2da8e767a3" />. </para>
    <para />
    <para>9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in Afghanistan in het algemeen en in de provincie Ghazni in het district Karabach in het bijzonder, geen sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 21 maart 2018<footnote-ref linkend="_7150be48-8b3b-4d26-a941-fd1b8c010d5c" /> en 1 oktober 2018<footnote-ref linkend="_40390fb9-aeb9-4c32-8d90-9a6edb2e4f6d" />. In deze uitspraken heeft de Afdeling geoordeeld dat er in Afghanistan geen sprake van een situatie als hiervoor bedoeld. De enkele verwijzing naar uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Rotterdam en Haarlem, is onvoldoende. Eiser heeft niet specifiek aangegeven waarom de landeninformatie waarop in die procedures een beroep is gedaan op zijn situatie van toepassing is. Daarbij komt dat verweerder terecht heeft opgemerkt dat de vreemdelingen in die procedures afkomstig zijn uit de districten Muqur en Khwaja Omari en niet – zoals eiser – uit het district Karabach. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Slotsom.</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>10. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing</emphasis>
      </para>
      <para>
        <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Andel, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
  </section>
  <footnote id="_20775950-6dd4-4e7d-8324-10443323cc8c" label="1">
    <para>Daaronder wordt mede begrepen: diens rechtsvoorgangers. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b16b6b2-0a89-47ba-b308-b514ad0694f3" label="2">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2964a4d9-9dfd-4aa4-bafe-ad06d76861a7" label="3">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_5cf3b79f-3233-41b7-99a4-bd590b634838" label="4">
    <para> Vreemdelingenwet 2000. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_de25db27-9ee4-4c30-941e-686182adb082" label="5">
    <para> Algemene wet bestuursrecht.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_24f77832-00d9-4ecb-9d44-022df6155313" label="6">
    <para> Uitspraken van de Afdeling van 6 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2715 en van 19 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2848.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_89a3eaf6-908a-4643-a298-29eebbb39706" label="7">
    <para> Werkinstructie. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_766a4511-a3b8-40cc-ad8d-8b229d8c022a" label="8">
    <para> Richtlijn nr. (EU) 2011/95.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_f671ffa2-7787-4e1a-ad81-f0aaf54963d3" label="9">
    <para> NL17.5708.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7c571675-4c17-45be-b033-37c76a9a94d7" label="10">
    <para> NL18.23723 en NL18.23726.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9fb8d37e-7548-4265-842f-922ba977e4ec" label="11">
    <para> NL19.5412.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9001d72c-1e6d-4731-a402-6e2da8e767a3" label="12">
    <para> NL19.5913.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7150be48-8b3b-4d26-a941-fd1b8c010d5c" label="13">
    <para>ECLI:NL:RVS:2018:915.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_40390fb9-aeb9-4c32-8d90-9a6edb2e4f6d" label="14">
    <para>ECLI:NL:RVS:2018:3176.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>