<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:6334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T09:12:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-06-26</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-06-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 18 _ 5089</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2019/2950</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-0034</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2019122311</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6334">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:6334</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-20T15:23:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-20</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:6334 Rechtbank Den Haag , 20-06-2019 / AWB - 18 _ 5089</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:6334:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Verweerder heeft een boekenonderzoek ingesteld bij eiser. Verweerder heeft aan de hand van de door eiser overgelegde bescheiden een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd. In geschil is alleen het bedrag van de voorbelasting. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser niet in zijn bewijslast geslaagd. De stelling dat er nog een aanzienlijke hoeveelheid kassabonnen is waaruit de voorbelasting zou blijken, is daarvoor onvoldoende. Ook uit de bankafschriften kan niet afgeleid worden dat sprake is van kosten die daadwerkelijk betrekking hebben op de onderneming, noch dat en in hoeverre in die betalingen omzetbelasting begrepen is. Beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:6334:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 18/5089</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van <?linebreak?>20 juni 2019 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser] , te [woonplaats] , eiser</title>
    <para>(gemachtigde: [A] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar</title>
    <para>De uitspraak van verweerder van 6 juli 2018 op het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 (de naheffingsaanslag).</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting</title>
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2019 (de eerste zitting). </para>
      <para>Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn dochter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [B] en [C] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter zitting heeft eiser een verzoek ingediend tot wraking van de rechter. De wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft het verzoek tot wraking bij beslissing van 18 maart 2019 afgewezen en heeft bepaald dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 juni 2019 heeft de nadere zitting plaatsgevonden. De gemachtigde is verschenen en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [D] en [C] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vernietigt de uitspraak op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 7.533 en vermindert de belastingrente dienovereenkomstig;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.278;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiser exploiteert een Italiaans restaurant en is als zodanig ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Op zijn aangiften omzetbelasting voor het jaar 2012 heeft eiser geen verschuldigde omzetbelasting aangegeven en geen omzetbelasting in aftrek gebracht. Er is aldus uitsluitend sprake van zogenoemde nihilaangiften. </para>
    <para />
    <para>2. Op 7 september 2017 is verweerder begonnen met een boekenonderzoek naar onder andere de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting voor de periode <?linebreak?>1 januari 2012 tot en met 31 december 2015. Op 21 september 2017 heeft de controlerend ambtenaar onder meer verzocht de ordner met de administratie voor het jaar 2012 en de aansluitingsberekeningen die ten grondslag liggen aan de omzetbelastingaangiften voor dit jaar te overleggen.</para>
    <para />
    <para>3. De gemachtigde van eiser heeft op 6 november 2017 bij de controlerende ambtenaar onder meer een ordner voor het jaar 2012 (de ordner) ingeleverd. Volgens de ontvangstbevestiging daarvan zaten daarin inkoop- en kostenfacturen en betalingsherinneringen en geen kassabonnen. </para>
    <para />
    <para>4. Aan de hand van de informatie in de ordner en de bankafschriften van de zakelijke ABN-rekening heeft de controlerend ambtenaar de door eiser te betalen omzetbelasting voor het jaar 2012 berekend op € 12.200. De controlerend ambtenaar heeft de verschuldigde belasting berekend aan de hand van de pinbetalingen en de contante stortingen op de zakelijke bankrekening van eiser en de aftrekbare omzetbelasting (de voorbelasting) berekend aan de hand van de inkoop- en kostenfacturen. </para>
    <para />
    <para>5. In geschil is of de naheffingsaanslag op het juist bedrag is berekend. Eiser stelt dat te weinig voorbelasting in aanmerking is genomen omdat ten onrechte een veelheid aan kassabonnetjes buiten beschouwing is gelaten. </para>
    <para />
    <para>6. Op de eerste zitting heeft verweerder een herberekening overgelegd van de verschuldigde belasting en verklaard dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 4.667. De gemachtigde heeft in reactie hierop verklaard met die herberekening in te stemmen. Alleen het bedrag van de voorbelasting is dus nog in geschil. </para>
    <para />
    <para>7. Op grond van artikel 15, eerste lid, letter a, van de Wet OB kan de voorbelasting worden afgetrokken die in rekening is gebracht op facturen die aan de wettelijke eisen voldoen. Niet in geschil is dat alle door eiser verstrekte facturen door verweerder als voorbelasting zijn geaccepteerd en dat dit tot een totaal bedrag aan aftrekbare omzetbelasting leidt van € 5.494. Eiser, op wie in deze de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat er een hoger bedrag aan voorbelasting in aanmerking genomen moet worden. De enkele stelling dat er nog een aanzienlijke hoeveelheid kassabonnen is waaruit dat zou blijken, is daarvoor onvoldoende. </para>
    <para />
    <para>8. Uit de stukken van het geding blijkt dat verweerder eiser meerdere keren de gelegenheid heeft gegeven zijn stelling dat er meer voorbelasting in aanmerking moet worden genomen te onderbouwen door de desbetreffende kassabonnen te overleggen. Eiser heeft dat echter niet gedaan. Wel heeft hij gewezen op de bankafschriften en gesteld dat de controlerende ambtenaar daarin kon zien om welke bedragen het gaat. Daarmee heeft eiser echter niet aangetoond dat sprake is van kosten die daadwerkelijk betrekking hebben op de onderneming noch dat en in hoeverre in die betalingen omzetbelasting begrepen is. </para>
    <para>Ook in beroep heeft eiser de kassabonnen niet overgelegd. Het overzicht van de volgens eiser nog voor aftrek in aanmerking komende bedragen dat eiser op de nadere zitting aan de rechtbank en aan verweerder heeft verstrekt, kan, zonder onderliggende bescheiden, niet als bewijs voor aftrekbare voorbelasting gelden.</para>
    <para />
    <para>9. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Niet gebleken is dat de belastingrente is berekend in strijd met het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Wel dient de belastingrente te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de verschuldigde belasting.</para>
    <para />
    <para>10. Gelet op wat is overwogen onder 6, is het beroep gegrond verklaard. Voor het overige is het beroep ongegrond. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Proceskosten</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakt proceskosten en stelt deze op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.278 (1 punt voor het indienen van bezwaar met een waarde per punt van € 254 en 1 punt voor het indienen van beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 1).	</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van <?linebreak?>mr. F.J. Baak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier							rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, </para>
      <para>2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>