<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:5184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-27T10:07:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-13</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 18 / 9377</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:5184">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:5184</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-27T10:07:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:5184 Rechtbank Den Haag , 13-05-2019 / AWB 18 / 9377</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:5184:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Pakistan, visum kort verblijf, reisdoel onvoldoende toegelicht, geringe sociale en economische binding, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:5184:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 18/9377 </para>
      <para>V-nummers: [nummer 1] , [nummer 2]</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 mei 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] , eiseres,</para>
      <para>(gemachtigde: [naam 5] ),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 29 maart 2018 tot het verlenen van een visum kort verblijf voor familiebezoek, afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 2 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres (kennelijk) ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 8 april 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde (tevens referent). Verder waren aanwezig [naam 2] en [naam 3] de zoon en dochter van gemachtigde. [naam 2] heeft getolkt in het Nederlands. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] . Op 29 maart 2018 heeft zij een verzoek om afgifte van een visum voor Nederland ingediend in de periode van 17 mei 2018 tot 1 juli 2018, mede namens haar minderjarige zoon: [naam 4] , geboren op [geboortedatum 2] . Zij zijn van Pakistaanse nationaliteit. Het doel van de reis is familiebezoek. Eiseres, haar zoon en schoonvader zijn uitgenodigd door de neef van haar echtgenoot, [naam 5] , die in Rotterdam woont. Deze neef (tevens gemachtigde) heeft zich als referent gesteld. De echtgenoot van eiseres, [naam 6] , woont en werkt in het Verenigd Koninkrijk. Eiseres is daar voor het laatst in 2013 geweest. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef, onder a)ii en b, van de Verordening (EG) Nr. 810/2009 tot vaststelling van de gemeenschappelijke visumcode (de Visumcode). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Daarnaast heeft eiseres onvoldoende sociale en economische binding met haar land van herkomst, waardoor een tijdige terugkeer niet is gewaarborgd. In het bestreden besluit zijn de afwijzingsgronden gehandhaafd. Van horen is afgezien op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.</para>
    <para />
    <para>3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij een huisvrouw is en dat haar echtgenoot, de heer [naam 6] in het Verenigd Koninkrijk woont en werkt. Haar echtgenoot ondersteunt eiseres en haar zoon financieel. Eiseres wil samen met haar schoonvader en minderjarige zoon, met toestemming van haar echtgenoot, naar Nederland reizen om de neef van haar echtgenoot te bezoeken. Eiseres stelt dat zij eerder Turkije en het Verenigd Koninkrijk heeft bezocht en toen ook tijdig is teruggekeerd naar Pakistan. Dat kan als voorbeeld dienen voor tijdige terugkeer. Verder heeft zij voldoende sociale binding met Pakistan. Haar zoon gaat in Pakistan naar school.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d, van de Visumcode verlangt dat de aanvrager van een visum voor kort verblijf informatie verschaft waaruit blijkt dat hij of zij voornemens is voor het verstrijken van de geldigheid van het visum het Schengengebied te verlaten. Artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode vermeldt dat een visum geweigerd dient te worden indien er redelijke twijfels bestaan over dit voornemen. In de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013<footnote-ref linkend="_4aca27dd-33a1-44a2-ada2-54ed4d367da0" /> heeft het Hof uiteengezet hoe verweerder dit voornemen dient te beoordelen. Bij het onderzoek naar het voornemen dient verweerder onder andere rekening te houden met de algehele situatie in het land van herkomst en de sociale en/of economische binding die de aanvrager heeft met dit land. Bij de beoordeling hiervan heeft verweerder een ruime beoordelingsmarge.</para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de beoordeling van het gestelde reisdoel heeft mogen betrekken dat eiseres niet heeft toegelicht waarom haar reisdoel het bezoek aan referent betreft in plaats van een bezoek aan haar echtgenoot in het Verenigd Koninkrijk. Ter zitting heeft de gemachtigde dit ook niet nader kunnen toelichten. Dat dit de privézaken van eiseres zijn, is geen toereikende verklaring.</para>
    <para />
    <para>6. Verweerder heeft verder kunnen concluderen dat dat eiseres slechts een geringe sociale en economische binding heeft met Pakistan, omdat haar echtgenoot in het Verenigd Koninkrijk woont en werkt, haar zoon van vier jaar oud met haar meereist, en er geen andere kinderen zijn die in Pakistan achterblijven. Verder is niet gebleken dat eiseres een sterke band heeft met haar ouders, schoonouders en/of andere familieleden in Pakistan en dat zij van eiseres afhankelijk zijn. Er is evenmin gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres zouden dwingen tijdig naar Pakistan terug te keren. Dat haar zoon sinds april 2017 staat ingeschreven in de ‘playgroup’ klas van de ‘Froebels International School Wah Cantt’ en eiseres een stuk grond in eigendom heeft, is evenmin voldoende om substantiële sociale of economische binding met Pakistan aan te nemen. Er zijn immers overal scholen en voor het bezit van grond is de fysieke aanwezigheid van eiseres in Pakistan niet vereist. Het enkele feit dat eiseres in het verleden tijdig is teruggekeerd uit het buitenland naar Pakistan biedt geen garantie dat zij dat nu ook zal doen.</para>
    <para />
    <para>7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de visumaanvraag terecht heeft afgewezen en dat verweerder terecht het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard.</para>
    <para />
    <para>8. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>9. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_4aca27dd-33a1-44a2-ada2-54ed4d367da0" label="1">
    <para> Uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, Koushkaki tegen Duitsland, C-84/12, ECLI:EU:C:2013:862 </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>