<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:4926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-16T12:35:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-05-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 19 / 235</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:4926">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:4926</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-15T18:01:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:4926 Rechtbank Den Haag , 08-05-2019 / AWB 19 / 235</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:4926:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Buiten behandeling, artikel 64</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:4926:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 19/235</para>
      <para>v-nummer: [nummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] , eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</bridgehead>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 8 januari 2019 (het bestreden besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een zitting, met toestemming van beide partijen, achterwege gebleven.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Armeense nationaliteit. Op 9 april 2018 heeft zij verweerder verzocht om met toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) uitstel van vertrek toe te staan om medische redenen. Bij besluit van 12 juni 2018 heeft verweerder de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld omdat eiseres een onvolledige aanvraag heeft ingediend. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt vast dat dit geschil zich beperkt tot de vraag of verweerder de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen.</para>
    <para />
    <para>3. Uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw wordt door verweerder verleend indien de vreemdeling heeft aangetoond dat hij vanwege medische redenen niet in staat is om te reizen, of indien vanwege zijn medische situatie, er een reëel risico bestaat op een schending van artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_320f6f2d-3802-4f71-8181-6706ac166d4a" />. Hiervan is sprake indien verwacht kan worden dat de vreemdeling op korte termijn in een medische noodsituatie kan geraken waarvoor hij in zijn land van herkomst niet behandeld kan worden. Met zijn verzoek om artikel 64 van de Vw van toepassing te verklaren dient de vreemdeling de bewijsmiddelen over te leggen die worden genoemd in paragraaf A3/7.2.4, van de Vc<footnote-ref linkend="_cf8e8589-cf8e-4193-9e61-e1aa6aa43fff" />. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft in zijn brief van 4 mei 2018 aan eiseres medegedeeld dat zij een onvolledige aanvraag heeft ingediend omdat geen (recente) versie van de volgende stukken zijn ingebracht:</para>
    <para>- het formulier ‘Bijlage toestemmingsverklaring medische gegevens’ van de behandelaren van Equator;</para>
    <para>- de formulieren ‘Bijlage bewijs omtrent de medische situatie’ van behandelaar [naam 2] , psychiater [plaats] , en de behandelaren van [naam 3]</para>
    <para>- relevante medische gegevens van [naam 2] , psychiater [plaats] , en de behandelaren van [naam 3] in reactie op de vragen van het Bureau Medische Advisering.</para>
    <para>Verweerder heeft eiseres vervolgens twee weken de tijd gegeven om alsnog de gevraagde informatie te leveren. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Nu eiseres niet aan enig wettelijk voorschrift heeft voldaan voor de in behandeling nemen van haar aanvraag, heeft verweerder mogen besluiten om de aanvraag op grond van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht niet in behandeling te nemen.</para>
    <para />
    <para>5. Artikel 64 van de Vw kan alleen van toepassing worden verklaard indien de vreemdeling stukken overlegt waaruit blijkt welke medische behandeling hij of zij in Nederland ondergaat, en dat bij uitblijven van deze behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Als eiseres geen medische gegevens overlegt over haar behandeling, kan er geen uitstel van vertrek worden verleend. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder niet ten onrechte de aanvraag buiten behandeling heeft gesteld. </para>
    <para />
    <para>6. Nu verweerder de aanvraag buiten behandeling heeft mogen stellen en het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond is, heeft verweerder eiseres niet hoeven horen. De overige beroepsgronden van eiseres behoeven geen bespreking, nu deze zien op de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Mentink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_320f6f2d-3802-4f71-8181-6706ac166d4a" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden</para>
  </footnote>
  <footnote id="_cf8e8589-cf8e-4193-9e61-e1aa6aa43fff" label="2">
    <para> Vreemdelingencirculaire 2000</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>