<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:4392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-23T12:21:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.6870</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:4392">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:4392</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-05-23T12:19:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:4392 Rechtbank Den Haag , 24-04-2019 / NL19.6870</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:4392:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vw, Dublin Zwitserland</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:4392:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL19.6870</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2019 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Biçer).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL 19.6871, plaatsgevonden op 18 april 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Makaddam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>In dit geval heeft Nederland bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Zwitserland heeft dit verzoek geaccepteerd op 20 november 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>2. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder het beroep van eiseres op artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening alleen aan het nationale recht heeft getoetst. Eiseres heeft in dat kader gewezen op het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van </para>
    <para>16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127), waaruit volgt dat de toepassing en toetsing van een bevoegdheid uit de Dublinverordening naar Unierecht dient plaats te vinden. De in artikel 17 neergelegde bevoegdheid betreft een discretionaire bevoegdheid van verweerder die de rechtbank terughoudend dient te toetsen. Uitgaande van deze toetsingsmaatstaf is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt en op grond waarvan verweerder het verzoek van eiseres in behandeling zou moeten nemen. Uit pagina 4 van het voornemen blijkt dat verweerder in het kader van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening de door eiseres aangedragen feiten en omstandigheden heeft meegewogen in zijn beoordeling. De rechtbank ziet in het licht van het voorgaande niet in hoe de wijze waarop verweerder in dit geval invulling heeft gegeven aan zijn discretionaire bevoegdheid niet strookt met het bepaalde in het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië. </para>
    <para />
    <para>3 Eiseres heeft aangevoerd dat zij zich in Zwitserland niet veilig voelt omdat zij bang is dat haar familie haar daar kan opsporen. Haar familie heeft er weet van dat zij met een visum Zwitserland is binnen gereisd. Eiseres was journalist in Syrië en haar oom een hooggeplaatst militair, die haar werk afkeurde. Verweerder heeft hierover terecht opgemerkt dat wanneer eiseres in Zwitserland problemen met haar familie ondervindt, zij zich kan en dient te wenden tot de Zwitserse autoriteiten. Verder kan zij haar asielmotieven kenbaar maken en internationale bescherming vragen bij de Zwitserse autoriteiten  </para>
    <para />
    <para>4. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>De uitspraak is bekendgemaakt aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>