<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:3831</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-24T11:59:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.3920</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3831">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3831</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-18T13:16:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:3831 Rechtbank Den Haag , 16-04-2019 / NL19.3920</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3831:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Italië, niet register-tolk, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond, pkv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3831:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL19.3920</para>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.A.P.H. van der Zanden).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 15 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.3922, plaatsgevonden op 3 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Onwuegwuchu. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt Burger van Nigeria te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft op 31 oktober 2018 in Nederland asiel aangevraagd.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_fa599b14-d049-42ea-ae3f-5a26581fe49c" /> niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_d2468028-0059-44a8-ba94-3652cadd6f0d" /> in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. </para>
    <para>Uit Eurodac is gebleken dat eiser op illegale wijze het Dublin grondgebied is ingereisd via Italië op 6 maart 2018. Nederland heeft daarom bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek. Dit is de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiser zal houden aan zijn internationale verplichtingen.</para>
    <para />
    <para>3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Er is bij het aanmeldgehoor geen gebruik gemaakt van een register tolk en verweerder heeft niet gemotiveerd waarom het aanmeldgehoor direct diende plaats te vinden. Eiser meent dat hij hierdoor in zijn belangen is geschaad. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 26 maart 2019<footnote-ref linkend="_86ee1aca-39e0-4c3b-b299-0bb3037d52b4" />.</para>
    <para />
    <para>5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling)<footnote-ref linkend="_4c18e5ce-474c-415c-98ef-93ad935faa38" /> volgt dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wbtv<footnote-ref linkend="_72cbffb4-56d6-4435-b032-e80cc855a8c3" /> wat betreft de motivering geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. In het geval een beëdigde tolk niet beschikbaar is, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. Verweerder moet dan toelichten om welke reden geen beëdigde tolk beschikbaar was.	</para>
    <para />
    <para>6. Niet in geschil is dat verweerder bij het aanmeldgehoor van 4 november 2018  gebruik heeft gemaakt van een niet-beëdigde tolk. Evenmin is in geschil dat verweerder niet in het verslag van het aanmeldgehoor noch in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom wegens de vereiste spoed geen van de beëdigde tolken beschikbaar was. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van handelen in strijd met artikel 28, vierde lid, van de Wbtv. Hoewel verweerder ook ter zitting geen toelichting heeft kunnen geven, ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb<footnote-ref linkend="_9fdd36cb-80e1-400b-a0ff-d1d4af662d7f" /> omdat niet is gebleken dat eiser is benadeeld. Eiser heeft immers in de zienswijze niet aangegeven dat de wel ingeschakelde tolk zijn werkzaamheden niet juist heeft verricht. Daarnaast heeft eiser in het aanmeldgehoor verklaard dat hij tijdens het gehoor de strekking van de woorden van de gehoorambtenaar in de vertaling van de tolk   goed heeft begrepen en dat hij geen op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de tolk. Het was volgens eiser helder. Ook ter zitting heeft eiser niet toe kunnen lichten op welke wijze hij in zijn belangen zou zijn geschaad door het niet gebruiken van een registertolk.</para>
    <para />
    <para>7. Verder verzet eiser zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser voert aan dat hij tijdens zijn verblijf in Italië geen verstrekkingen en opvang heeft gehad, geen tolk en voorlichting, en dat hem medische behandeling is onthouden. Klagen bij de Italiaanse autoriteiten heeft geen zin. Eiser beroept zich verder op de gevolgen van de inwerkingtreding van het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018 (Salvini-decreet). Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar een groot aantal rapporten en artikelen. Verder heeft eiser verwezen naar uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waarin is geoordeeld dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. </para>
    <para />
    <para>8. Volgens de meest recente uitspraken van de Afdeling mag verweerder ten opzichte van Italië nog altijd uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel<footnote-ref linkend="_4d7837ab-efda-466b-b0f5-c4aa6526024b" />. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft verder geoordeeld dat voor zover er informatie is ingebracht die niet uitdrukkelijk is meegewogen door de Afdeling in de hiervoor bedoelde uitspraken en waarin nieuwe relevante feiten en omstandigheden naar voren komen, daaruit niet blijkt van dermate aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat op grond daarvan niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan<footnote-ref linkend="_bbe7b5b4-05dd-4a5e-ac51-ab71a049b9d4" />. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM<footnote-ref linkend="_74875f0d-c65d-4d81-8759-ee6beba65d17" /> niet zal schenden. Hierbij wordt opgemerkt dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Italië.</para>
    <para />
    <para>9. Verweerder heeft zich, gelet op het vorenstaande, terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich bij voorkomende problemen in Italië kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties en dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. </para>
    <para />
    <para>10. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014<footnote-ref linkend="_410a0744-209a-4e91-8860-0838d59ab116" />. De overgelegde röntgenaanvraag en het patiëntdossier zijn onvoldoende voor deze conclusie. Verder is niet gebleken dat eiser onder specialistische behandeling staat of deze behoeft.</para>
    <para />
    <para>11. Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.</para>
    <para />
    <para>12. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>13. Gelet op het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een wegingsfactor 1)<footnote-ref linkend="_052271fb-6323-4325-aad0-1e86363d0dde" />  .</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond; </para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ten bedrage van € 1.024,- (duizendvierentwintig euro), te betalen aan eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_fa599b14-d049-42ea-ae3f-5a26581fe49c" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d2468028-0059-44a8-ba94-3652cadd6f0d" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013</para>
  </footnote>
  <footnote id="_86ee1aca-39e0-4c3b-b299-0bb3037d52b4" label="3">
    <para> ECLI:NL:RBGEL:2019:1323</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c18e5ce-474c-415c-98ef-93ad935faa38" label="4">
    <para> zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:378 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_72cbffb4-56d6-4435-b032-e80cc855a8c3" label="5">
    <para> de Wet beëdigde tolken en vertalers </para>
  </footnote>
  <footnote id="_9fdd36cb-80e1-400b-a0ff-d1d4af662d7f" label="6">
    <para> de Algemene wet bestuursrecht</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4d7837ab-efda-466b-b0f5-c4aa6526024b" label="7">
    <para> zie de uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, en 29 januari 2019, </para>
    <para>  ECLI:NL:RVS:2019:277</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bbe7b5b4-05dd-4a5e-ac51-ab71a049b9d4" label="8">
    <para> zie de uitspraak van 28 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3148</para>
  </footnote>
  <footnote id="_74875f0d-c65d-4d81-8759-ee6beba65d17" label="9">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden </para>
  </footnote>
  <footnote id="_410a0744-209a-4e91-8860-0838d59ab116" label="10">
    <para>  Tarakhel v. Zwitserland, application no. 29217/12: ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712</para>
  </footnote>
  <footnote id="_052271fb-6323-4325-aad0-1e86363d0dde" label="11">
    <para> Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, alsemede de bijlage, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>