<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:3828</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-24T12:00:01</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-16</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.3918</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3828">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3828</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-18T13:02:59</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:3828 Rechtbank Den Haag , 16-04-2019 / NL19.3918</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3828:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin, Italië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3828:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL19.3918</para>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.A.P.H. van der Zanden).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 14 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.3919, plaatsgevonden op 3 april 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.A. Sow. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .</para>
    <para>Hij heeft op 23 oktober 2018 in Nederland asiel aangevraagd.</para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_bf97ca5f-230c-45cd-8472-f877e4a70051" /> niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_bd268295-0bea-42f5-b081-acd529de5823" /> in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. </para>
    <parablock>
      <para>Uit Eurodac is gebleken dat eiser op illegale wijze het Dublin grondgebied is ingereisd via Italië op 8 januari 2018. Nederland heeft daarom bij Italië een verzoek om overname gedaan. Italië heeft hierop niet tijdig gereageerd. Op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening staat dit gelijk met het aanvaarden van het overnameverzoek.</para>
      <para>Dit is de juridische grondslag om aan te nemen dat Italië zich tegenover eiser zal houden aan zijn internationale verplichtingen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>3. Eiser verzet zich tegen overdracht aan Italië. Hij betoogt dat er sprake is van systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen, zodat ten opzichte van Italië niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser voert aan dat hij tijdens zijn verblijf in Italië geen opvang heeft gehad, geen tolk en voorlichting en dat hem medische behandeling is onthouden. Klagen bij de Italiaanse autoriteiten heeft volgens eiser geen zin. Eiser beroept zich verder op de gevolgen van de inwerkingtreding van het wetsdecreet van de Italiaanse autoriteiten van 24 september 2018 (Salvini-decreet). Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar een groot aantal rapporten en artikelen. Verder heeft eiser verwezen naar uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, waarin is geoordeeld dat niet zonder meer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Volgens de meest recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) mag verweerder ten opzichte van Italië nog altijd uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel<footnote-ref linkend="_7b27f531-fa07-4bf8-acd5-f02e2172961a" />. De meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft verder geoordeeld dat voor zover er informatie is ingebracht die niet uitdrukkelijk is meegewogen door de Afdeling in de hiervoor bedoelde uitspraken en waarin nieuwe relevante feiten en omstandigheden naar voren komen, daaruit niet blijkt van dermate aan het systeem gerelateerde tekortkomingen dat op grond daarvan niet meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan<footnote-ref linkend="_51376466-b12c-4aa3-8bd5-f20153afea90" />. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Italië de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM<footnote-ref linkend="_a0a7b5a0-fadf-44ee-a0e5-475dcb4b59d1" /> niet zal schenden. Hierbij wordt opgemerkt dat de Opvangrichtlijn, de Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn ook gelden ten aanzien van de asielprocedure in Italië.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder heeft zich, gelet op het vorenstaande, terecht op het standpunt gesteld dat eiser zich bij voorkomende problemen in Italië kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten van Italië dan wel geëigende instanties en dat niet is gebleken dat de Italiaanse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen. </para>
    <para />
    <para>6. Verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij moet worden aangemerkt als een kwetsbaar persoon in de zin van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 november 2014<footnote-ref linkend="_5d47d053-5dbe-4769-9bea-410348c59b6b" />. De overgelegde radiologie aanvraag is onvoldoende voor deze conclusie. Verder is niet gebleken dat eiser onder specialistische behandeling staat of deze behoeft.</para>
    <para />
    <para>7. Er was daarom geen aanleiding voor verweerder om de behandeling van de asielaanvraag aan zich te trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening.</para>
    <para>8. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.</para>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_bf97ca5f-230c-45cd-8472-f877e4a70051" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000</para>
  </footnote>
  <footnote id="_bd268295-0bea-42f5-b081-acd529de5823" label="2">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013</para>
  </footnote>
  <footnote id="_7b27f531-fa07-4bf8-acd5-f02e2172961a" label="3">
    <para> zie de uitspraken van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, en 29 januari 2019, </para>
    <para>  ECLI:NL:RVS:2019:277</para>
  </footnote>
  <footnote id="_51376466-b12c-4aa3-8bd5-f20153afea90" label="4">
    <para> zie de uitspraak van 28 maart 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:3148</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a0a7b5a0-fadf-44ee-a0e5-475dcb4b59d1" label="5">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden </para>
  </footnote>
  <footnote id="_5d47d053-5dbe-4769-9bea-410348c59b6b" label="6">
    <para>  Tarakhel v. Zwitserland, application no. 29217/12: ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>