<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:3657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-19T14:25:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.2905</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3657">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3657</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-15T13:48:58</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:3657 Rechtbank Den Haag , 29-03-2019 / NL19.2905</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3657:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Georgië, afwijzing asielaanvraag, veilig land, relaas ongeloofw., geen art. 64 Vw, inreisverbod, arrest Gnandi, beroep ongegrond, pkv.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3657:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL19.2905</para>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. S. Igdeli),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.M.M. van Gils).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 6 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verder is eiser opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en is een inreisverbod tegen eiser uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.2906, plaatsgevonden op 14 maart 2019. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt Burger van Georgië te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .</para>
    <para>Op 22 januari 2019 heeft hij zijn asielaanvraag ingediend. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd dat hij op 28 juni 2013 samen met zijn buurjongen betrokken is geweest bij een auto-ongeluk. De buurjongen is aan de gevolgen van zijn verwondingen overleden. Eiser is voor het auto-ongeluk aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar. De vader van de omgekomen buurjongen heeft eiser bedreigd met de dood. Verder heeft de tegenpartij bij het verkeersongeluk eiser gebeld en bedreigd. De auto die beschadigd is geraakt, kostte 6300 dollar. De tegenpartij heeft de twee auto’s verkocht voor onderdelen en dit heeft hen 2800 dollar opgeleverd. De tegenpartij vindt dat eiser hen het restbedrag verschuldigd is. Zij dreigden eiser het leven zuur te maken, zijn knieën kapot te schieten en zijn benen te breken. Eiser is voor het laatst door de tegenpartij bedreigd op 14 januari 2018. Eind 2018 ontving eiser een pardon, waardoor de laatste tien maanden van zijn straf werden kwijtgescholden. Eiser heeft hierna besloten Georgië te verlaten.</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw<footnote-ref linkend="_839ca759-4270-4db7-9c9d-dabe69514982" /> als kennelijk ongegrond afgewezen. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, evenals eisers verklaringen over het auto-ongeluk, de dood van de buurjongen, de veroordeling, en de bedreigingen door de tegenpartij bij het auto-ongeluk. De verklaring van eiser over de doodsbedreiging van de vader van de overleden buurjongen acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat Georgië voor eiser als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. </para>
    <para />
    <para>4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Georgië kan in algemene zin worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Zoals de Afdeling<footnote-ref linkend="_8e62e2bb-0372-4de5-9e6f-bec780875b91" /> heeft overwogen in haar uitspraak van 20 april 2018<footnote-ref linkend="_3ca383e5-0ce6-4301-bd91-06c87d813a99" />, geldt door de aanwijzing van Georgië als veilig land van herkomst een algemeen rechtsvermoeden dat vreemdelingen afkomstig uit dat land geen internationale bescherming nodig hebben en dat de (nationale) autoriteiten effectieve bescherming bieden. Het is dan aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de autoriteiten hem geen bescherming kunnen bieden. Daarbij geldt een hoge drempel<footnote-ref linkend="_df7c6960-9c92-448d-8bf8-21d2215240e5" />.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde bedreiging door de vader van de buurjongen ongeloofwaardig is. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit eisers verklaringen alleen kan worden afgeleid dat de vader van de overleden buurjongen heeft gezworen om eiser te doden, maar niet dat hij eiser persoonlijk heeft bedreigd. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij, bij voorkomende problemen, niet de bescherming van de autoriteiten in Georgië kan inroepen. De enkele stelling van eiser dat dit zinloos is omdat het de situatie alleen maar erger zal maken, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft immers nimmer een poging gedaan om bescherming te krijgen van de Georgische autoriteiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Georgië in zijn geval niet als veilig land kan worden aangemerkt. </para>
    <para />
    <para>7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich verder terecht op het standpunt gesteld dat er (thans) geen aanleiding bestaat om te onderzoeken of toepassing gegeven dient te worden aan het bepaalde in artikel 64 van de Vw. Eiser heeft zijn standpunt dat hem uitstel van vertrek dient te worden verleend vanwege zijn medische omstandigheden niet onderbouwd.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank concludeert dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hieruit volgt dat verweerder ingevolge artikel 62, tweede lid, onder b, van de Vw bevoegd is aan eiser een vertrektermijn te onthouden, hetgeen verweerder ook heeft gedaan. Dit betekent dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten. Het dwingende karakter van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw brengt met zich dat verweerder vervolgens een inreisverbod moet opleggen.</para>
    <para />
    <para>9. De rechtbank is tot slot evenwel van oordeel dat eiser terecht tegen het terugkeerbesluit heeft aangevoerd dat het beroep van rechtswege schorsende werking dient te hebben. Hij heeft daarbij gewezen op het arrest Gnandi<footnote-ref linkend="_4cfc037c-a679-428b-9859-5a8ab8773e25" />. Uit de wet volgt dat het instellen van beroep tegen het besluit tot afwijzen van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond niet tot gevolg heeft dat de werking van het besluit wordt opgeschort, en daarnaast wordt de vertrekplicht tot aan het instellen van beroep niet opgeschort<footnote-ref linkend="_3ec72c9b-57a6-4dcf-a2d7-60eb9eb08083" />. Verweerder had hierin kunnen voorzien in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het Unierecht dat prevaleert boven het nationale recht. Verweerder heeft dat nagelaten. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met de verplichtingen zoals die volgen uit het arrest Gnandi. </para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank zal dit gebrek niettemin passeren, omdat eiser niet in zijn belangen is geschaad<footnote-ref linkend="_d854a053-3829-44a5-8db6-d06886150871" />. Hij is niet is uitgezet en de opvang is feitelijk voortgezet. </para>
    <para />
    <para>11. Het beroep is daarom ongegrond. </para>
    <para />
    <para>12. Gelet op het geconstateerde gebrek ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep heeft moeten maken<footnote-ref linkend="_718b3c03-6391-4168-9196-39c5955f8116" />. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 512 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een wegingsfactor 1) <footnote-ref linkend="_33ee010d-141e-4d48-a110-e20667f831e5" />.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond; </para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, ten bedrage van € 512 (vijfhonderdtwaalf euro), te betalen aan eiser.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. </para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_839ca759-4270-4db7-9c9d-dabe69514982" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000 </para>
  </footnote>
  <footnote id="_8e62e2bb-0372-4de5-9e6f-bec780875b91" label="2">
    <para> Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State </para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ca383e5-0ce6-4301-bd91-06c87d813a99" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2018:1320</para>
  </footnote>
  <footnote id="_df7c6960-9c92-448d-8bf8-21d2215240e5" label="4">
    <para> vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4cfc037c-a679-428b-9859-5a8ab8773e25" label="5">
    <para> Arrest Gnandi tegen België van 19 juni 2018, C-181/16 (ECLI:C:2018:465)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_3ec72c9b-57a6-4dcf-a2d7-60eb9eb08083" label="6">
    <para> Zie artikel 82, tweede en vierde lid, van de Vw</para>
  </footnote>
  <footnote id="_d854a053-3829-44a5-8db6-d06886150871" label="7">
    <para> Artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_718b3c03-6391-4168-9196-39c5955f8116" label="8">
    <para> Artikel 8:75, eerste lid, van de Awb</para>
  </footnote>
  <footnote id="_33ee010d-141e-4d48-a110-e20667f831e5" label="9">
    <para> Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, alsmede de bijlage, van het Besluit proceskosten bestuursrecht</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>