<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:3290</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2024-07-09T22:04:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-04-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 18 / 9846</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3290">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:3290</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-04T14:47:25</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:3290 Rechtbank Den Haag , 02-04-2019 / AWB 18 / 9846</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3290:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>8 EVRM, mvv, TEV, more than normal emotional ties, exclusieve afhankelijkheid, beroep gegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:3290:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 18/9846 </para>
      <para>V-nummer: [nummer]  </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] , eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. R. Deniz,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 november 2018 (het bestreden besluit).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 maart 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam 2] (zoon van eiseres en referent), [naam 3] (dochter van eiseres) en C. Atrushi (tolk). Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>Eiseres is geboren op [geboortedatum] . Zij is een staatloze Palestijn, afkomstig uit Syrië. Op 20 januari 2016 heeft referent, de zoon van eiseres (geboren op [geboortedatum 2] ), een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Op 21 maart 2016 heeft hij namens eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Deze aanvraag is op 3 juli 2017 afgewezen. Op 1 november 2017 heeft referent opnieuw een mvv aangevraagd voor eiseres, ditmaal in het kader van een procedure Toegang en Verblijf. Deze aanvraag heeft verweerder op 19 april 2018 afgewezen. Eiseres heeft daartegen bezwaar gemaakt. <?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er tussen eiseres en referent geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM<footnote-ref linkend="_a6d78d92-d90a-461b-9241-e815b9d2f864" />. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie heeft met haar zoon, omdat niet is gebleken dat zij exclusief afhankelijk van hem is. <?linebreak?></para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para>3. Op wat eiseres daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan. <?linebreak?>De rechtbank oordeelt als volgt. <?linebreak?></para>
    <para>4. Het is vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat pas kan worden gesproken van een beschermenswaardig gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen, als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (<emphasis role="italic">more than normal emotional ties</emphasis>); er moet sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid (<emphasis role="italic">additional elements of dependancy</emphasis>). Het EHRM heeft dat bijvoorbeeld overwogen in rechtsoverweging 32 van het arrest in de zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk.<footnote-ref linkend="_12238730-a8a0-4069-bbf8-747e9bc0f12c" /> Als geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van beschermenswaardig gezinsleven, hoeft ook geen belangenafweging te worden gemaakt, omdat dan geen sprake kan zijn van schending van artikel 8 van het EVRM. <?linebreak?></para>
    <para>5. Uit vaste rechtspraak van het EHRM, waaronder het arrest van Kopf en Liberda tegen Oostenrijk<footnote-ref linkend="_16e0ea37-8fe4-4a17-95bb-9d74ba4d3589" />, volgt dat de vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Voor de beoordeling daarvan kunnen relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkene en de banden met het land van herkomst.<?linebreak?></para>
    <para>6. Naar het oordeel van de rechtbank is uit de jurisprudentie van het EHRM niet af te leiden dat voor het aannemen van beschermenswaardig gezinsleven vereist is dat eiseres uitsluitend afhankelijk zou moeten zijn van haar zoon. Dit betekent dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij zijn beoordeling. Verweerder had meer gewicht moeten toekennen aan de feitelijke omstandigheden die door eiseres en referent naar voren zijn gebracht en die verweerder overigens niet heeft betwist. Zo is van belang dat eiseres en referent vanaf 2012 tot aan het vertrek van referent uit Syrië in 2015 hebben samengewoond. Verder blijkt uit overgelegde medische verklaringen dat eiseres medische klachten heeft als gevolg waarvan zij niet in staat is om alleen te wonen. Referent en zijn zus hebben ter zitting nader toegelicht dat eiseres op dit moment inderdaad door mensen uit haar omgeving wordt verzorgd, maar dat dit niet meer behelst dan dat men uit liefdadigheid af en toe iets te eten bij haar langsbrengt. Van een bestendig sociaal netwerk kan niet worden gesproken. Daar komt bij dat eiseres op leeftijd is – zij is inmiddels 82 jaar oud – en in een regio woont waar de veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden als gevolg van de aanhoudende oorlogssituatie slecht zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met deze omstandigheden en zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er tussen eiseres en referent geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. <?linebreak?></para>
    <para>7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank tevens van oordeel dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake was en dat verweerder daarom niet had mogen afzien van het horen in bezwaar. Gelet op het feitelijke karakter van de beoordeling had het voor de hand gelegen dat verweerder referent had uitgenodigd voor een hoorzitting zodat hij de persoonlijke band met zijn moeder inzichtelijk kon maken. <?linebreak?></para>
    <para>8. Dit alles betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit wordt daarom vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.  <?linebreak?></para>
    <para>9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.024,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Ook moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht aan haar vergoeden. </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,- (honderdzeventig euro) aan eiseres te vergoeden;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.024,- (duizendvierentwintig euro) te betalen aan eiseres.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_a6d78d92-d90a-461b-9241-e815b9d2f864" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden</para>
  </footnote>
  <footnote id="_12238730-a8a0-4069-bbf8-747e9bc0f12c" label="2">
    <para> Zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk, 12 juni 2010, no. 47486/06, www.echr.coe.int.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_16e0ea37-8fe4-4a17-95bb-9d74ba4d3589" label="3">
    <para> Zaak Kopf en Liberda tegen Oostenrijk van 17 april 2012 (no. 1598/06), www.echr.coe.int.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>