<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:2892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-28T11:40:35</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-25</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">FT RK 19/175 en FT RK 19/177</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_insolventierecht">Civiel recht; Insolventierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0001860&amp;artikel=287a&amp;g=2019-01-01">Faillissementswet 287a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:2892">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:2892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-28T11:39:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-28</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:2892 Rechtbank Den Haag , 25-03-2019 / FT RK 19/175 en FT RK 19/177</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:2892:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>In minnelijk traject uitgegaan van een te lage belastingschuld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:2892:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="04e19334-15ea-4012-993c-e920e6987300" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="a908af94-f32c-44ec-b5b4-3b5af052070c" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">RECHTBANK </emphasis>
      <emphasis role="bold smallcaps">DEN HAAG</emphasis>
    </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team insolventies – enkelvoudige kamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>rekestnummers: C/09/567994 / FT RK 19/175 en C/09/567997 / FT RK 19/177</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>vonnis van 25 maart 2019</para>
      <para>
        <?linebreak?>in de zaken van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>[verzoekers],</para>
      <para>beiden wonende te [adres],</para>
      <para>[postcode en woonplaats],</para>
      <para>verzoekers,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">1.  Ohra Zorgverzekeringen N.V.</emphasis>gevestigd te Arnhem (vertegenwoordigd door Janssen en Janssen Gerechtsdeurwaarders),</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">2. CAK</emphasis>gevestigd te Den Haag (vertegenwoordigd door Syncasso),</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">3. Praktijk voor fysiotherapie en manuele therapie  [verweerder 3] , </emphasis>gevestigd te [vestigingsplaats],</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">4. T-Mobile</emphasis>gevestigd te Den Haag (vertegenwoordigd door Stichting Derdengelden Intrum Nederland),</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">5.  [verweerder 5]</emphasis>wonende te [woonplaats] (vertegenwoordigd door Deen advocaten), </para>
    <para>
      <emphasis role="bold">6. Meijroos advocaten</emphasis>gevestigd te Den Haag,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>verweerders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekers zullen hierna worden aangeduid als ‘ [verzoekers] ’. </para>
      <para>Verweerders zullen gezamenlijk worden aangeduid als ‘verweerders’ en afzonderlijk als ‘Ohra’, ‘CAK’, ‘ [verweerder 3] ’, ‘T-Mobile’, ‘ [verweerder 5] ’ en ‘Meijroos’.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Op 6 februari 2019 hebben [verzoekers] tegelijk met verzoeken tot toepassing van de schuldsaneringsregeling verzoeken ingediend tot het bevelen in te stemmen met een door hen aangeboden schuldregeling als bedoeld in artikel 287a Faillissementswet (Fw) (“dwangakkoord”).</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Ter terechtzitting van 11 maart 2019 zijn [verzoekers] hierover gehoord, alsmede hun schuldhulpverlener [Z].</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3</nr>
      <para>Verweerders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen ter terechtzitting. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4</nr>
      <para>De uitspraak is bepaald op heden.</para>
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De feiten</title>
    <para>De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        [verzoekers] hebben blijkens de verklaring ex artikel 285 lid 1 onder a Fw een totale schuld van € 111.782,34 aan 32 schuldeisers. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Meijroos heeft bij brief van 8 maart 2019 bericht (wederom) akkoord te gaan met de aangeboden schuldregeling. Hierdoor is Meijroos geen partij meer in deze procedure.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Intrum heeft bij faxbericht van 14 februari 2019 namens T-Mobile bericht akkoord te gaan met de aangeboden schuldregeling. Hierdoor is T-Mobile geen partij meer in deze procedure. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>De vordering van Ohra op [verzoekers] bedraagt € 1.106,50, zijnde 0,99% van de totale schuldenlast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>De vordering van CAK bedraagt € 5.458,35, zijnde 5,28% van de schuldenlast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.6</nr>
      <para>De vordering van [verweerder 3] bedraagt € 225, zijnde 0,2% van de schuldenlast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.7</nr>
      <para>De vordering van [verweerder 5] bedraagt € 1.461,45, zijnde 1,41% van de schuldenlast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.8</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de bij de aangeboden schuldregeling gevoegde toelichting blijkt dat [verzoekers] een gezamenlijk maandelijks inkomen hebben van € 1.307,96 en dat voor hen 	een vrij te laten bedrag is berekend van € 1.754,22. Hierdoor is, onder de 	huidige omstandigheden, geen maandelijks bedrag voor betaling aan de schuldeisers 	beschikbaar. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.9</nr>
      <parablock>
        <para>Namens [verzoekers] is bij brief van 5 november 2018 een schuldregeling 	aangeboden. Die regeling houdt in dat aan de concurrente schuldeisers een uitkering 	wordt gedaan van 1,36% tegen finale kwijting van het restant van hun 	vorderingen. Aan de preferente schuldeisers is het dubbele percentage aangeboden. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.10</nr>
      <para>De aangeboden schuldregeling is door de andere schuldeisers aanvaard. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Standpunt van de partijen</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>
        [verzoekers] stellen dat Ohra, CAK, [verweerder 3] en [verweerder 5] in redelijkheid niet hebben kunnen komen tot een weigering van de medewerking aan de schuldregeling die zij hebben aangeboden, nu de schuldeisers bij toepassing van de WSNP minder zullen krijgen vanwege de boedelkosten die daarmee zijn gemoeid. Zij hebben het maximale aangeboden, aangezien zij voor hun inkomsten afhankelijk zijn van hun uitkeringen. Daarnaast krijgen de schuldeisers bij toewijzing van het dwangakkoord eerder hun geld, want er is al een jaar gespaard in het minnelijk traject. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <parablock>
        <para>Ohra, CAK, [verweerder 3] en [verweerder 5] hebben naar aanleiding van het verzoek hun 	standpunt niet aan de rechtbank kenbaar gemaakt. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <parablock>
        <para>De rechtbank moet de vraag te beantwoorden of Ohra, CAK, [verweerder 3] en 	[verweerder 5] in redelijkheid tot weigering van instemming met de schuldregeling hebben 	kunnen komen. Zij wijst het verzoek toe als sprake is van een onevenredigheid tussen 	het belang dat schuldeisers hebben bij de uitoefening van de bevoegdheid tot weigering 	en het belang van [verzoekers] dat door de weigering wordt geschaad.<?linebreak?></para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrijstaat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan volledige voldoening van de vordering, staat in beginsel het belang van de schuldeisers vast. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de belangenafweging als bedoeld in artikel 287a Fw zullen onder meer de volgende omstandigheden een rol kunnen spelen (zie ook de conclusie van A-G Timmerman voor HR 14 december 2012, LJN BY0966, nr. 2.6. e.v.): </para>
        <para>- <emphasis role="italic">is het schikkingsvoorstel door een onafhankelijke en deskundige partij getoetst</emphasis><emphasis role="italic"> (bijvoorbeeld een gemeentelijke kredietbank);</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor dc</emphasis> <emphasis role="italic">schuldenaar;</emphasis></para>
        <para>- <emphasis role="italic">biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de</emphasis> <emphasis role="italic">schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser dan evenveel of</emphasis> <emphasis role="italic"> meer zal ontvangen.</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <parablock>
        <para>
          [verzoekers] hebben hun schuldeisers een prognosevoorstel gedaan waarbij de 		preferente schuldeisers – na een periode van drie jaar – een betalingspercentage van 	2,72% in het vooruitzicht is gesteld en de concurrente schuldeisers een betalingspercentage van 1,36%. Deze percentages zijn gebaseerd op enerzijds de inkomsten van [verzoekers] en anderzijds hun schulden. Ten aanzien van de schulden is uitgegaan van een schuldenlast van € 111.782,34, waaronder een schuld aan de belastingdienst van € 28.280,51 (€ 27.069,51 + € 1.211,-). Echter, volgens een door de fiscus verstrekt overzicht d.d. 6 februari 2019 bedragen de belastingschulden              € 52.681,- in totaal. De rechtbank kan er niet zonder meer van uitgaan dat op dit overzicht “ niet invorderbare schulden” staan vermeld. Dit maakt dat het ervoor moet worden gehouden dat in het minnelijk traject ten aanzien van de belastingschulden uitgegaan is van een bedrag dat fors lager is dan de daadwerkelijk belastingschulden, en dus ook van een te lage totale schuldenlast. Dit heeft tot gevolg dat de inkomsten van [verzoekers] (voor zover voor verdeling vatbaar) zullen moeten worden verdeeld over een fors hogere schuldenlast. Dit betekent dat er op voorhand van moet worden uitgegaan dat de in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling aangeboden percentages niet realiseerbaar zijn. Nu in het minnelijke schuldregelingstraject de schuldeisers namens [verzoekers] een voorstel is gedaan waarvan duidelijk was, althans kon zijn, dat dit niet kan worden gerealiseerd, is naar het oordeel van de rechtbank het voorstel dat aan de schuldeisers is gedaan op onvoldoende deskundige wijze uitgevoerd en getoetst. Dit maakt dat de rechtbank het verzoek tot het opleggen van een dwangregeling afwijst. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>
        [verzoekers] hebben ter terechtzitting laten weten het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven, als het verzoek ex artikel 287a lid 1 Fw zou worden afgewezen. Op de toelatingsverzoeken zal afzonderlijk vonnis worden gewezen. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- wijst af de verzoeken om een bevel op voet van artikel 287a eerste lid, Fw te geven.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Gewezen door mr. R. Cats, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2019 in tegenwoordigheid van R. Becker, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan de schuldenaar gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak in hoger beroep komen, in te stellen door een verzoekschrift, uitsluitend via een advocaat in te dienen ter griffie van het gerechtshof te Den Haag. Dit is slechts mogelijk indien de schuldenaar ook op dezelfde wijze hoger beroep instelt tegen de uitspraak tot afwijzing van het daarmee samenhangende verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling (art. 292 lid 3 Faillissementswet).</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>