<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:2482</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-19T11:01:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.3364</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:2482">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:2482</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-04-19T10:59:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-04-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:2482 Rechtbank Den Haag , 12-03-2019 / NL19.3364</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:2482:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Italie ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:2482:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>
      <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL19.3364</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.G.P. de Boon),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. B.M. Kristel).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL19.3365, plaatsgevonden op 5 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R.O. Obasuyi Ugiagbe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft gesteld burger van Nigeria te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft op 9 december 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit Eurodac is gebleken dat </para>
      <para>eiser op 3 februari 2017 in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten op 20 december 2018 verzocht om eiser terug te nemen op grond van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublin-verordening). Nu de Italiaanse autoriteiten niet binnen twee weken op het verzoek hebben gereageerd, staat daarmee, op grond van artikel 25 van de Dublinverordening, op 4 januari 2018 de verantwoordelijkheid van Italië vast.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel </para>
      <para>er in beginsel van uit mag gaan dat de autoriteiten van Italië zich houden aan internationale </para>
      <para>verplichtingen. Bij dreigende schending geldt het uitgangspunt dat daarover geklaagd kan </para>
      <para>worden bij de Italiaanse autoriteiten. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken indien </para>
      <para>eiser aannemelijk maakt dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen </para>
      <para>vertoont dat hij bij overdracht aan Italië een risico loopt op een behandeling strijdig met </para>
      <para>artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele </para>
      <para>vrijheden (hierna: EVRM). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Uit recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat ten aanzien van Italië nog altijd van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Zo heeft de Afdeling in de uitspraak van 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4131) ten aanzien van het zogenaamde Salvini‑decreet dat op 29 november 2018 in werking is getreden overwogen dat dit decreet weliswaar een aantal veranderingen in de opvang van vreemdelingen in Italië tot gevolg heeft, maar dat niet gebleken is dat kwetsbare Dublinclaimanten geen opvang meer krijgen. Evenmin leidt het decreet ertoe dat Dublinclaimanten zonder bijzondere omstandigheden geen opvang meer krijgen. De Afdeling overweegt dan ook dat er geen sprake is van een </para>
      <para>zodanige structurele verslechtering van de opvangomstandigheden in Italië dat </para>
      <para>Dublinclaimanten een reëel risico lopen op een behandeling die strijdig is met artikel 3 van </para>
      <para>het EVRM. De Afdeling verwijst daarbij onder andere naar de beslissing van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juni 2018. In deze beslissing heeft het Hof overwogen dat de situatie in Italië niet vergeleken kan worden met de situatie in Griekenland ten tijde van het arrest in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland.  </para>
      <para>De rechtbank ziet geen aanleiding om in geval van eiser anders dan de Afdeling te oordelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Met de acceptatie van het terugnameverzoek hebben de Italiaanse autoriteiten gegarandeerd het verzoek van eiser om internationale bescherming in behandeling te zullen nemen. Hieraan kan niet afdoen dat eiser eerder een negatieve beslissing heeft gehad op een asielaanvraag in Italië. Eiser kan zich, indien hij meent dat sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure of de opvangprocedure beklagen bij de Italiaanse autoriteiten of (indien nodig) het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze mogelijkheid voor hem niet bestaat. De enkele stelling dat hij zich daarvoor te onveilig voelde omdat hij door een Italiaanse drugsdealer op straat drie keer is verzocht om mee te werken aan drugsverkoop, is daartoe onvoldoende. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verder is niet gebleken van zodanige bijzondere individuele omstandigheden die voor </para>
      <para>verweerder aanleiding zouden moeten geven om op grond van artikel 17 van de </para>
      <para>Dublinverordening het verzoek van eiser in behandeling te nemen. De rechtbank overweegt dat eiser op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat de Italiaanse autoriteiten hem anders zullen behandelen voor wat betreft de behandeling van zijn asielverzoek of opvang dan andere vreemdelingen die naar Italië worden overgedragen onder de werking van de Dublinovereenkomst.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. Tempelman, griffier.</para>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>