<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:1892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-04T11:39:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-02-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL18.24702</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:1892">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:1892</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-01T15:18:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-03-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:1892 Rechtbank Den Haag , 07-02-2019 / NL18.24702</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:1892:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin België, interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verklaringen over discriminatie niet onderbouwd. Beroep ongegrond. Mondelinge uitspraak.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:1892:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL18.24702</para>
      <para>V-nummer: [nummer]</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. Sweerts).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 december 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het beroep is, samen met de zaak met nummer NL18.24703, op de zitting van 7 februari 2019 besproken. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak op zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft eerder, op 23 mei 2017, asiel aangevraagd in Nederland. Bij besluit van 25 juli 2017 heeft verweerder deze aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_9b90202a-07e9-4cb1-b084-a1969e09539a" /> omdat hij eerder in België asiel heeft aangevraagd. Dit besluit is in rechte komen vast te staan<footnote-ref linkend="_a645d21e-4ba4-4e8c-b2da-9ea6d022f916" />. Op 28 november is eiser overgedragen aan de Belgische autoriteiten. Op 11 juli 2018 heeft eiser opnieuw asiel aangevraagd in Nederland. Bij het bestreden besluit is deze aanvraag wederom niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de verantwoordelijkheid van België voor de behandeling van zijn asielaanvraag inmiddels is komen te vervallen.</para>
    <para />
    <para>3. In het algemeen dient te worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet langer kan. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat sprake was van stelselmatige en structurele discriminatie. Ook werd hem onvoldoende bescherming geboden door de Belgische autoriteiten. Eiser voert aan dat, nu hij geen vertrouwen heeft in de autoriteiten in België, niet van hem gevergd kan worden zich tot de hogere autoriteiten te wenden.</para>
    <para />
    <para>4. Vastgesteld wordt dat eiser zijn verklaringen over stelselmatige en structurele discriminatie niet heeft onderbouwd. Eiser heeft België op de dag van zijn overdracht op 28 november 2017 naar eigen zeggen<footnote-ref linkend="_82f671c7-273d-4e56-9912-57f5c48c3d66" /> direct weer verlaten. Ook heeft eiser tijdens zijn gehoor alleen verklaard de asielprocedure liever in Nederland te willen doorlopen omdat het klimaat hem beter past dan dat van België, gelet op zijn allergie, en dat er mensen in België waren die tegen zijn huwelijk waren met een Tsjetsjeense vrouw<footnote-ref linkend="_4c6cf5ce-a9c0-4a83-8d0a-a5419b9d914d" />. Reeds bij het eerdere afwijzend besluit is gezegd dat eiser, indien nodig, de bescherming van de Belgische autoriteiten had kunnen inroepen. De stelling dat deze hem onvoldoende bescherming is geboden, is in het geheel niet onderbouwd. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat in België sprake is van aan het systeem gerelateerde tekortkomingen van de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Het beroep op de humanitaire clausule kan geen doel treffen omdat eiser daartoe dezelfde feiten en omstandigheden heeft aangevoerd<footnote-ref linkend="_43f01560-9116-4a96-95e8-a5ecd8b4b055" />.</para>
    <para />
    <para>5. De slotsom is dat verweerder niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de </para>
    <parablock>
      <para>asielaanvraag van eiser, en dat hij de verantwoordelijkheid daarvoor ook niet aan zich heeft </para>
      <para>hoeven trekken met toepassing van artikel 17 van de Dublinverordening. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>6. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier, op 7 februari 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_9b90202a-07e9-4cb1-b084-a1969e09539a" label="1">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013</para>
  </footnote>
  <footnote id="_a645d21e-4ba4-4e8c-b2da-9ea6d022f916" label="2">
    <para> Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 17 augustus 2017, kenmerk NL17.5813, bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 13 september 2017, 201706871/1/V3. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_82f671c7-273d-4e56-9912-57f5c48c3d66" label="3">
    <para> Verslag gehoor 16 juli 2018, pagina 5.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_4c6cf5ce-a9c0-4a83-8d0a-a5419b9d914d" label="4">
    <para> Verslag gehoor 16 juli 2018, pagina 6.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_43f01560-9116-4a96-95e8-a5ecd8b4b055" label="5">
    <para> In die zin ook: uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3164.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>