<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:14230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-15T09:52:11</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/583724  FA RK 19-8567</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:14230">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:14230</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-01-15T09:51:49</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:14230 Rechtbank Den Haag , 02-12-2019 / C/09/583724  FA RK 19-8567</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:14230:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voogdij over kinderen die zijn teruggekeerd uit voormalig IS-gebied. De kinderen staan thans niet onder het vereiste wettelijk gezag, Rechtsmacht op grond van EG-Verordering 2201/2003 (Brussel II-bis).</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:14230:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Jeugd &amp; Bopz</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaksgegevens: C/09/583724 / FA RK 19-8567</para>
      <para>Datum uitspraak: 2 december 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Beschikking van de meervoudige kamer </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Voorlopige voogdij (ex artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak naar aanleiding van de op 20 november 2019 en 29 november 2019 ingekomen verzoekschriften van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden, hierna te noemen: de Raad,</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>betreffende: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="bold">- [minderjarige 1]</emphasis>geboren op [geboortedag 1] 2015 te Syrië,</para>
    <para>hierna te noemen: [minderjarige 1] ;</para>
    <para>
      <emphasis role="bold">- [minderjarige 2]</emphasis>geboren op [geboortedag 2] 2016 te Syrië,</para>
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige 2] ,</para>
      <para>hierna tezamen te noemen: de kinderen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de vrouw]
      </para>
      <para>thans gedetineerd [verblijfplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. M.L. van Leer, gevestigd te Amsterdam,</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,</bridgehead>
    <para>hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als informant aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [pleegouders] ,</bridgehead>
    <para>hierna te noemen: de pleegouders.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Het procesverloop</title>
    <para>Bij beschikking van 20 november 2019 van de kinderrechter in deze rechtbank is de gecertificeerde instelling belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:</para>
    </parablock>
    <para>- de voornoemde beschikking van 20 november 2019;</para>
    <para>- het gewijzigde verzoekschrift van de Raad van 29 november 2019;</para>
    <para>- het verweerschrift van de moeder van 29 november 2019. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 2 december 2019 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- [de vrouw] , bijgestaan door haar advocaat;</para>
    <para>- mevrouw [vertegemnwoordigers van de Raad] namens de Raad;</para>
    <para>- mevrouw [vertegenwoordigers van de GI] namens de gecertificeerde instelling;</para>
    <para>- de pleegouders. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feiten</title>
    <para>- De verwantschap tussen [de vrouw] en de kinderen is nog niet vastgesteld.</para>
    <para>- [de vrouw] is thans als terrorismeverdachte gedetineerd. </para>
    <para>- Voor de overige feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 20 november 2019.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verzoek en verweer</title>
    <para>De Raad heeft bij gewijzigd verzoek van 29 november 2019 primair verzocht de gecertificeerde instelling te belasten met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Subsidiair wordt verzocht om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen en de gecertificeerde instelling te machtigen om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten bij de pleegouders, voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het verzoek ligt het volgende ten grondslag. De Raad heeft geconstateerd dat er nog geen DNA-verwantschapsonderzoek heeft plaatsgevonden. Andere stukken op grond waarvan een afstammingsrelatie kan worden aangenomen, zoals de geboorteaktes en reisdocumenten, ontbreken eveneens. De afstammingsrelatie tussen [de vrouw] en de kinderen kan daarom niet worden aangenomen. Als gevolg hiervan bestaat er onduidelijkheid over de identiteit van de kinderen, de familiebanden en het gezag. De nationaliteit van de kinderen kan niet worden vastgesteld, zij kunnen niet worden ingeschreven en er is nog geen burgerservicenummer aan hen toegekend. De medische zorgverlening verloopt daardoor moeizaam. De Raad komt tot de conclusie dat het vereiste wettelijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ontbreekt en dat het noodzakelijk is om de voogdij voorlopig te beleggen bij de gecertificeerde instelling, zodat een voogd de belangrijke en nodige beslissingen kan nemen over de kinderen. Het zal een aantal weken duren voordat de uitslag van het DNA-onderzoek bekend is. Als het verwantschap tussen [de vrouw] en de kinderen is vastgesteld, zal de Raad opnieuw overwegen of de voogdijmaatregel de meest passende maatregel is. </para>
      <para>Indien de rechtbank echter van oordeel is dat er kan worden uitgegaan van een afstammingsrelatie (en daarmee ook een gezagsrelatie) tussen [de vrouw] en de kinderen, verzoekt de Raad subsidiair om de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen en een machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen, in het belang van het welzijn en de veiligheid van de kinderen, nu [de vrouw] in detentie verblijft.  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tot slot heeft de Raad ter zitting toegelicht dat er, in samenwerking met een landelijk expertiseteam, onderzoek zal worden gedaan naar de wijze waarop [de vrouw] haar ouderschap tot haar komst naar Nederland heeft vormgegeven en hoe zij dit in de toekomst zou willen doen. Daarnaast wordt onderzocht wat de kinderen nodig hebben om zich veilig te kunnen ontwikkelen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [de vrouw] heeft, mede bij monde van haar advocaat, verweer gevoerd tegen het primaire verzoek. Tegen het subsidiaire verzoek heeft zij zich niet verzet. Zij heeft gesteld dat het DNA-onderzoek slechts een formaliteit betreft. Zij weet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] haar kinderen zijn. Volgens [de vrouw] dragen de kinderen haar achternaam en niet die van de vader. De wijze waarop de Raad het onderzoek vormgeeft, impliceert dat de Raad uitgaat van een afstammingsrelatie. Indien de rechtbank van oordeel is dat het DNA-onderzoek moet worden afgewacht, dan is de moeder van mening dat de voorlopige voogdijmaatregel enkel noodzakelijk is voor de duur van het onderzoek, tot het moment waarop de verwantschap is vastgesteld. Zij is namelijk in staat om het ouderlijk gezag over de kinderen (weer) uit te oefenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De gecertificeerde instelling heeft toegelicht dat het naar omstandigheden goed gaat met de kinderen in het pleeggezin. De pleegouders hebben dit bevestigd. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Bevoegdheid</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank acht zich bevoegd om kennis te nemen van het gewijzigde verzoek van de Raad op grond van artikel 8 van de EG-Verordening 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, beter bekend als Brussel II-bis. Hieruit volgt dat de rechtbank van de lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft, bevoegd is in zaken betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] thans in Nederland is gelegen. Daartoe overweegt de rechtbank dat [de vrouw] met de kinderen vanuit Syrië naar Nederland is gereisd met het voornemen om zich permanent in Nederland te vestigen. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de gewone verblijfplaats van de kinderen thans niet meer in Syrië maar in Nederland is gelegen. De onduidelijkheid over de verwantschap tussen [de vrouw] en de kinderen doet hier niet aan af.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Nu op grond van de artikel 262-268 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) op het moment van indiening van het verzoek nog geen bevoegde rechter in Nederland kon worden aangewezen, is de rechtbank Den Haag bevoegd om kennis te nemen van het verzoek ingevolge artikel 269 Rv.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Inhoudelijke beoordeling</emphasis>
      </para>
      <para>Op grond van de inhoud van het gewijzigde verzoekschrift en de verklaringen van de gehoorde personen concludeert de rechtbank dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet onder het vereiste wettelijk gezag staan. Teneinde de belangen van de kinderen te kunnen behartigen, is het dringend en onverwijld noodzakelijk om in de gezagsuitoefening van de kinderen te voorzien, op grond van artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Er kan nog niet worden vastgesteld dat er een afstammingsrelatie bestaat tussen [de vrouw] en de kinderen omdat het DNA-onderzoek nog niet heeft plaatsgevonden. Er kan daarom ook nog niet met zekerheid worden gesteld dat de kinderen uit [de vrouw] geboren zijn en dat zij van rechtswege het ouderlijk gezag over de kinderen uitoefent. De identiteitsgegevens van de kinderen, zoals hun naam en nationaliteit, kunnen evenmin worden vastgesteld. Indien uit het onderzoek blijkt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van [de vrouw] afstammen, dient de Raad opnieuw te overwegen of er sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 1:241 van het Burgerlijk Wetboek. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank stelt vast dat Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland reeds is belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij beschikking van 20 november 2019 van de kinderrechter in deze rechtbank. De rechtbank handhaaft deze beslissing.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>handhaaft de beslissing van de kinderrechter in deze rechtbank bij beschikking van 20 november 2019, waarbij Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland is belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het meer of anders verzochte.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2019 door mrs. H.J.M. Smid-Verhage, M.F. Baaij en E.M.M. Engbers, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. S.T. Viezee als griffier.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 16 december 2019.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:</para>
              <para>- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,</para>
              <para>- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. </para>
              <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van </para>
              <para>het gerechtshof Den Haag.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>