<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:13092</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-05T10:16:23</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">19_1723</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2021:2812" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2021:2812, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2020/937</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2020/22.2.4</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2020-1311</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2020041608</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:13092">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:13092</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-04-10T13:40:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-04-10</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:13092 Rechtbank Den Haag , 05-12-2019 / 19_1723</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:13092:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Bpm-zaak. Geen sprake van rentebeschikking op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990 die onbevoegd door de inspecteur is gegeven. De rentebeschikking is rechtmatig door de ontvanger gegeven, ondanks dat eiseres daar niet om heeft verzocht. Geen grond voor hogere rentevergoeding. Hoorplicht niet geschonden. De rechtbank ziet geen aanleiding om prejudiciële vragen te stellen. Beroep ongegrond.  Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:13092:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 19/1723</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>
      <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2019 in de zaak tussen</emphasis>
    </para>
  </parablock>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , gevestigd te [vestigingsplaats] , eiseres<?linebreak?>(gemachtigde: [A] ),</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar </title>
    <para>De uitspraak van verweerder van 7 februari 2019 op het bezwaar van eiseres tegen de rentebeschikking van 24 juli 2017.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 november 2019. Kort voor de zitting is door partijen verzocht om uitstel van de zitting. Dit verzoek is afgewezen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft zich op zitting laten vertegenwoordigen door [B] , [C] , [D] en [E] . Namens eiseres is, zonder bericht van verhindering, niemand verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de immateriële schade van € 500 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 256 vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening;</para>
    <para>- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 345 aan eiseres te vergoeden vermeerderd met wettelijke rente vanaf 4 weken na de openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van de algehele voldoening.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Partijen hebben op 19 respectievelijk 20 november 2019 verzocht om uitstel van de zitting omdat zij recent, naar aanleiding van een zitting bij de rechtbank Gelderland, zijn gestart met onderhandelingen over een vaststellingsovereenkomst. In die vaststellingsovereenkomst zullen, zo mogelijk, alle lopende zaken worden betrokken waarbij de gemachtigde optreedt. Gelet op het prille stadium van deze onderhandelingen en de vooralsnog onzekere uitkomst daarvan heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om de zitting uit te stellen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat het verzoek om uitstel pas kort voor de geplande zittingsdatum is ontvangen.  </para>
    <para />
    <para>2. De rentebeschikking is door de ontvanger gegeven op grond van artikel 28c van de Invorderingswet 1990. De stelling van eiseres dat sprake is van een onbevoegd door de inspecteur gegeven beschikking vindt dan ook geen steun in de feiten. Het enkele feit dat sprake is van 28c-beschikkingen brengt mee dat de rentebeschikking zijn bron vindt in het Unierecht. Van strijdigheid met de Unierechtelijke vereisten van doeltreffendheid en gelijkwaardigheid is geen sprake (zie. HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1790). Dat eiseres bij de ontvanger geen verzoek om rentevergoeding heeft gedaan, maakt niet dat sprake is van een onrechtmatig genomen rentebeschikking. Zij is daardoor immers niet geschaad. </para>
    <para />
    <para>3. Voor de stelling van eiseres dat de rentevergoeding dient te worden bepaald op basis van een hoger, marktconform, rentepercentage is noch in de wet noch in de jurisprudentie steun te vinden. Het door eiseres aangevoerde arrest Eesti Pager (ECLI:EU:C:2019:172) geeft geen aanleiding voor een ander oordeel, aangezien dat arrest is gewezen op het specifieke terrein van terugvordering van staatssteun en daaruit ook overigens niet kan worden afgeleid dat artikel 28c van de Invorderingswet 1990 strijdig zou zijn met enige bepaling van het Unierecht.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft eiseres bij brieven van 29 november 2018 en 17 januari 2019 uitgenodigd voor een hoorgesprek. Daarbij heeft verweerder een zestal data in januari 2019 respectievelijk een achttal data in februari 2019 voorgesteld en is aan eiseres verzocht om te laten weten welke data schikken. In de brief van 17 januari 2019 heeft verweerder tevens verzocht om, indien de voorgestelde data in februari 2019 niet schikken, data te noemen die wel schikken. Eiseres heeft in reactie op beide brieven laten weten dat geen van de voorgestelde data schikken. Zij heeft geen data genoemd waarop het voor haar wel mogelijk zou zijn om een hoorgesprek te houden. De bestreden uitspraak op bezwaar is gedaan zonder dat een hoorgesprek heeft plaatsgevonden.</para>
    <para />
    <para>5. Nu door verweerder diverse concrete voorstellen tot het houden van een hoorgesprek zijn gedaan en, ondanks verzoek daartoe, door eiseres geen alternatieve data zijn aangedragen, dient het feit dat geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden voor rekening en risico van eiseres te komen. Van schending van de hoorplicht is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het beroep dat eiseres doet op het arrest Sopropé (ECLI:EU:C:2008:746) leidt niet tot een ander oordeel reeds omdat de beslissing om rente te vergoeden niet is aan te merken als een bezwarend besluit.</para>
    <para />
    <para>6. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>7. Eiseres heeft verzocht om op de voet van artikel 267 van het VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU. Artikel 267 VWEU behelst een bevoegdheid tot het stellen van prejudiciële vragen, maar de rechtbank is daartoe niet verplicht. De rechtbank ziet in al hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen reden om aan het verzoek van eiseres tegemoet te komen. </para>
    <para />
    <para>8. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarbij heeft als uitgangspunt te gelden dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd, waarvan een half jaar aan de bezwaarfase dient te worden toegerekend. Het bezwaarschrift tegen de rentebeschikkingen is op 28 augustus 2017 door verweerder ontvangen en door de rechtbank is op 5 december 2019 uitspraak gedaan, zodat de bezwaar- en beroepsfase ruim twee jaar en 3 maanden hebben geduurd. De rechtbank stelt vast dat de bezwaarfase bijna anderhalf jaar heeft geduurd. Nu door verweerder geen omstandigheden zijn aangevoerd die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigen, bepaalt de rechtbank de overschrijding op ruim 3 maanden. Aan eiseres komt een schadevergoeding toe van € 500 (€ 500 per overschrijding van (een gedeelte van) een half jaar), te vergoeden door verweerder. </para>
    <para />
    <para>9. Nu verweerder is opgedragen het betaalde griffierecht aan eiseres te vergoeden, behoeft haar stelling dat de hoogte van het griffierecht moet worden afgestemd op de hoogte van de onderliggende vordering geen behandeling.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 256 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 512 en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank gaat uit van een wegingsfactor 0,5 omdat de proceskostenvergoeding uitsluitend voortvloeit uit de overschrijding van de redelijke termijn. Voor een integrale proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.   </para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Blauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2019.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302, </para>
      <para>2500 EH Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>