<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:12881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-04T15:02:03</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL 19.24099 en 19.24100</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12881">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12881</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-04T15:01:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:12881 Rechtbank Den Haag , 05-11-2019 / NL 19.24099 en 19.24100</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:12881:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Bewijswaarde verklaring van een derde</para>
        <para>Beroep en voorlopige voorziening tegen het bestreden besluit waarbij verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. De rechtbank heeft hier – kort samengevat – geoordeeld dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers aangifte van 29 maart 2016 en de verklaring van [naam] van 22 mei 2019 niet aangemerkt kunnen worden als relevante nieuwe elementen of een nieuwe bevindingen. Dit heeft eiser namelijk niet alsnog aannemelijk gemaakt met zijn verklaringen. De rechtbank hecht verder aan de verklaring van [naam] van 22 mei 2019 niet de waarde die eiser daaraan wenst te hechten. Anders dan door verweerder is gesteld, kan (enige) bewijswaarde worden gehecht aan verklaringen die niet van een objectief verifieerbare bron afkomstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan wel sprake zijn van enig ander steunbewijs en daar is thans geen sprake van.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:12881:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL19.24099 (beroep) en NL19.24100 (voorlopige voorziening)</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] ),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: [naam] ).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 9 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de opvolgende aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft verweerder eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verder heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Aanleiding van deze procedure en het asielrelaas van eiser</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Eiser heeft de Bengalese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiser heeft eerder een asielaanvraag in Nederland ingediend, die bij besluit van 22 mei 2015 is afgewezen, kort gezegd omdat hij de gestelde vrees voor de Jamaat-e Islami partij in Bangladesh niet aannemelijk heeft gemaakt. Het beroep van eiser tegen deze afwijzing is door deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, op 4 november 2015 ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiser hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), welk hoger beroep bij uitspraak van 7 maart 2016 kennelijk ongegrond is verklaard. Het besluit van 22 mei 2015 dan ook in rechte vast komen te staan. 1.2.	Op 16 oktober 2018 en 15 maart 2019 heeft eiser wederom een asielaanvraag in Nederland ingediend en daarbij documenten overgelegd. Volgens eiser gaat het om een door de politie in Bangladesh opgemaakte aangifte van de moord op de door eiser al eerder genoemde [naam] , officieel genaamd [naam] . Hieruit blijkt volgens eiser dat [naam] is vermoord door de leden van Jamaat-e Islami partij wegens de aan hem geboden hulp en dat de wijze waarop [naam] is vermoord kenmerkend is voor de handelwijze waarop de leden van die partij te werk gaan. Beide aanvragen zijn bij besluiten van respectievelijk 12 maart 2019 en 14 mei 2019 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Die besluiten zijn in rechte vast komen te staan. </para>
    </paragroup>
  </section>
  <para />
  <para>1.2.      Op 16 oktober 2018 en 15 maart 2019 heeft eiser wederom een asielaanvraag in Nederland ingediend en daarbij documenten overgelegd. Volgens eiser gaat het om een door de politie in Bangladesh opgemaakte aangifte van de moord op de door eiser al eerder genoemde [naam] , officieel genaamd [naam] . Hieruit blijkt volgens eiser dat [naam] is vermoord door de leden van Jamaat-e Islami partij wegens de aan hem geboden hulp en dat de wijze waarop [naam] is vermoord kenmerkend is voor de handelwijze waarop de leden van die partij te werk gaan. Beide aanvragen zijn bij besluiten van respectievelijk 12 maart 2019 en 14 mei 2019 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Die besluiten zijn in rechte vast komen te staan. </para>
  <section role="overwegingen">
    <title />
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 18 juni 2019 heeft eiser deze derde opvolgende asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft eiser wederom ten grondslag gelegd dat [naam] is vermoord door de leden van Jamaat-e Islami partij omdat hij eiser hulp heeft aangeboden en dat de wijze waarop [naam] is vermoord kenmerkend is voor de handelwijze waarop de leden van die partij te werk gaan. Ter onderbouwing hiervan heeft eiser in deze procedure een vertaald en origineel afschrift van eisers aangifte van de moord op [naam] van 29 maart 2016 en de verklaring van [naam] , de gestelde zoon van [naam] , van 25 mei 2019 overgelegd. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag op 7 oktober 2019 heeft eiser nog afschriften van printscreens van een op YouTube opgenomen nieuwsuitzetting overgelegd. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Bestreden besluit</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Daartoe stelt verweerder dat de door eiser overgelegde aangifte van 29 maart 2016 met vertaling en de verklaring van [naam] van 25 mei 2019 met vertaling en afgelegde verklaringen niet kunnen worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of omstandigheden die aanleiding geven tot een ander oordeel dan dat al in rechte vast is komen te staan. De overgelegde stukken zijn origineel. Uit het rapport van onderzoek van 20 juni 2019 is echter gebleken dat Bureau Documenten niet over referentiemateriaal beschikt om onderzoek te doen naar de authenticiteit van die stukken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling zijn overgelegde documenten geen nieuwe feiten of omstandigheden indien de authenticiteit ervan niet kan worden vastgesteld. Indien de authenticiteit van documenten niet kan worden vastgesteld, is het aan de betrokkene om de gestelde authenticiteit te onderbouwen. Hierin is eiser niet geslaagd. Eiser heeft verklaard dat hij bewust alleen de naam ‘ [naam] ’ heeft gebruikt en niet de naam ‘ [naam] ’. Het bewust achterhouden van informatie is eiser toe te rekenen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat ‘ [naam] ’ en “ [naam] ’ dezelfde persoon zijn. Daar komt bij dat het overgelegde document een aangifte is en eiser zelf of iemand anders niet heeft geïnformeerd naar de resultaten van een eventueel ingesteld vervolgonderzoek bij de instantie die het document heeft afgegeven. Dit had wel van eiser mogen worden verwacht, zeker omdat de aangifte de aanleiding is geweest voor het indienen van deze herhaalde asielaanvraag.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beroepsgronden eiser </emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. De kern van het beroep houdt in dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het Europese recht door de originele documenten, waarvan Bureau Documenten de authenticiteit niet kan vaststellen vanwege het ontbreken van referentiemateriaal, ongezien ter zijde te schuiven als waren het geen nieuwe feiten en omstandigheden. In het geval van een opvolgende aanvraag ligt – in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Procedurerichtlijn<footnote-ref linkend="_b3bd0f28-6ecb-4a09-a2f9-aa5a25274c89" /> en de samenwerkingsverplichting als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Definitierichtlijn (thans: Kwalificatierichtlijn 2011/95/EU) – de bewijslast om aan te tonen dat de documenten echt zijn bij verweerder vanwege de lastige bewijspositie van eiser. Hierbij verwijst eiser naar het arrest van het Hof van Justitie van 22 november 2012, C-277/11, M. tegen Ierland<footnote-ref linkend="_29de1549-0933-4c7b-821f-46d02aaba197" />. Eiser voert verder aan dat de overgelegde documenten wel inhoudelijk beoordeeld hadden moeten worden op relevantie en bewijskracht ook al gaat het hier om een opvolgende aanvraag. Verder kan gelet op de absolute werking van artikel 3 van EVRM<footnote-ref linkend="_1de9380c-c6eb-46b2-ab12-c23dcbe28f8c" /> een inhoudelijk oordeel over die documenten niet achterwege blijven. Hierbij verwijst eiser naar arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 januari 2016, M.D. en M.A. tegen België<footnote-ref linkend="_f737278e-5c63-43a7-abab-fe80dda9e336" />. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Beoordeling rechtbank: relevante nieuwe elementen of bevindingen</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van eiser op de zitting heeft meegedeeld dat eiser de beroepsgrond die ziet op het aan hem opgelegde inreisverbod intrekt. Hierdoor behoeft deze beroepsgrond geen bespreking meer. </para>
      <para />
      <para>5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk heeft mogen verklaren, wegens het ontbreken van relevante nieuwe elementen of bevindingen in de zin van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. </para>
      <para />
      <para>6. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling<footnote-ref linkend="_35e0de70-0530-414a-81d2-d47cffa7be97" /> is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, indien de authenticiteit van de stukken waarmee de desbetreffende vreemdeling de door hem gestelde nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden wil aantonen niet is vastgesteld. Het ligt op de weg van de vreemdeling om de authenticiteit van de aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag gelegde documenten aan te tonen Verweerder kan de vreemdeling daarbij tegemoet komen door zelf de authenticiteit van de documenten te laten beoordelen, maar dat laat de eigen verantwoordelijkheid van de vreemdeling onverlet. </para>
      <para />
      <para>7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers aangifte van 29 maart 2016 en de verklaring van [naam] van 22 mei 2019 niet aangemerkt kunnen worden als relevante nieuwe elementen of een nieuwe bevindingen. Dit heeft eiser namelijk niet alsnog aannemelijk gemaakt met zijn verklaringen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Uit de aangifte van 29 maart 2016 blijkt volgens eiser dat [naam] vermoord is door de leden van Jamaat-e Islami partij omdat hij eiser hulp heeft aangeboden. Tijdens het gehoor opvolgende aanvraag van 7 oktober 2019 heeft eiser vervolgens verklaard dat [naam] de bijnaam is van [naam] en dat hij bewust alleen zijn bijnaam en niet zijn echte naam heeft genoemd omdat hij dit zijn vriend heeft beloofd. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat [naam] en [naam] een en dezelfde persoon zijn en heeft eiser geen plausibele verklaring waarom hij niet eerder in deze asielprocedure heeft verklaard wat de echte naam van zijn vriend is. Dit heeft verweerder wel van eiser mogen verwachten, zeker omdat eiser vanwege de originele aangifte van 29 maart 2016 deze derde opvolgende asielaanvraag heeft ingediend en het aan eiser is om alle informatie naar voren te brengen die relevant is voor zijn asielaanvraag. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2.</nr>
      <para>De rechtbank hecht verder aan de verklaring van [naam] van 22 mei 2019 niet de waarde die eiser daaraan wenst te hechten. In die verklaring staat op welke wijze de vader van [naam] , [naam] ( [naam] ), vermoord zou zijn en dat gedreigd zou zijn dat eiser hetzelfde zal overkomen Wat daar ook van zij, deze verklaring is het enige stuk dat een verband legt tussen eiser en [naam] en waarin wordt gesproken over de door eiser naar voren gebrachte dreiging. Anders dan door verweerder is gesteld, kan (enige) bewijswaarde worden gehecht aan verklaringen die niet van een objectief verifieerbare bron afkomstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank moet dan wel sprake zijn van enig ander steunbewijs en daar is thans geen sprake van. </para>
      <para />
      <para>8. Dat het aan eiser is om de authenticiteit van de documenten aan te tonen bij een opvolgende aanvraag is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd is met het doeltreffendheidsbeginsel uit artikel 42, tweede lid, van de Procedurerichtlijn. De toegang tot een nieuwe procedure mag weliswaar niet onmogelijk worden gemaakt en mag niet leiden tot daadwerkelijke ontzegging of vergaande inperking van een dergelijke toegang, maar verweerder mag bij een opvolgende aanvraag van eiser verwachten dat hij zelf de authenticiteit van de documenten aantoont. Door de documenten voor te leggen aan Bureau Documenten voor onderzoek is verweerder aan eiser tegemoetgekomen. Eiser verwijst naar het arrest M. tegen Ierland en betoogt dat verweerder verder moet gaan in zijn onderzoek naar de authenticiteit van documenten omdat verweerder beter in staat is om de authenticiteit aan te tonen dan eiser. Naar het oordeel van de rechtbank gaat de samenwerkingsverplichting echter niet zo ver dat daarom de bewijslast bij een opvolgende aanvraag van eiser bij verweerder komt te liggen. Bij een opvolgende aanvraag rust de bewijslast nog meer bij eiser. Daarbij komt dat verweerder eiser in staat heeft gesteld zijn asielmotieven in het gehoor opvolgende aanvraag naar voren te brengen, waarop verweerder in het voornemen gemotiveerd is ingegaan. Ook heeft verweerder eiser in staat gesteld een zienswijze uit te brengen naar aanleiding van het voornemen. Voorts heeft verweerder documentenonderzoek laten verrichten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook voldoende actief samengewerkt met eiser. </para>
      <para />
      <para>9. De verwijzing naar voornoemd arrest M.D. en M.A. tegen België maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Van een te formalistische aanpak die kan leiden tot een onzorgvuldig (voor)onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiser namelijk geen sprake. Weliswaar heeft verweerder de originele documenten niet inhoudelijk beoordeeld omdat de authenticiteit niet kan worden vastgesteld maar verweerder heeft in het bestreden besluit wel de aard van de documenten, de wijze waarop eiser daaraan is gekomen en hun relevantie voor het relaas betrokken. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat eiser er niet in is geslaagd om de authenticiteit van de overgelegde stukken aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit standpunt, zoals al hierboven overwogen onder 7, niet ten onrechte ingenomen. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Conclusie</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>10. Verweerder heeft de opvolgende asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk mogen verklaren. Het beroep is ongegrond. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de zaak met procedurenummer NL19.24099:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">In de zaak met procedurenummer NL19.24100:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S.H.M. Hussien, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.</para>
      <para>Tegen deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.  </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_b3bd0f28-6ecb-4a09-a2f9-aa5a25274c89" label="1">
    <para> Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_29de1549-0933-4c7b-821f-46d02aaba197" label="2">
    <para> ECLI:EU:C:2012:744. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_1de9380c-c6eb-46b2-ab12-c23dcbe28f8c" label="3">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijden. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_f737278e-5c63-43a7-abab-fe80dda9e336" label="4">
    <para> ECLI:CE:ECHR:2016:0119JUD005868912.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_35e0de70-0530-414a-81d2-d47cffa7be97" label="5">
    <para>Zie onder meer de uitspraken van 17 augustus 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2394) en van      </para>
    <para>2 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3804). </para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>