<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:12778</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-04T14:00:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.27874</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12778">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12778</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-04T13:59:28</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:12778 Rechtbank Den Haag , 27-11-2019 / NL19.27874</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:12778:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Vreemdelingenbewaring, motivering van significant risico op onttrekken aan het toezicht ontbreekt en geen terugkeerverplichting voor Dublinclaimanten </para>
        <para>Artikel 59a Vw juncto artikel 5.1a, vijfde lid en 5.1b, tweede lid Vb 2000</para>
      </parablock>
      <para />
      <para>De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat uit de gronden 3a en 3d zonder nadere motivering niet volgt dat een significant risico op het onttrekken aan het toezicht bestaat waardoor eiser de voorgenomen overdracht aan een andere lidstaat in gevaar zou brengen, onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 30 april 2018, (ECLI:NL:RBDHA:2018:5662). Deze motivering ontbreekt in de maatregel van bewaring. De rechtbank volgt eiser verder in zijn standpunt dat de grond dat eiser te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer toepassing mist bij Dublinclaimanten, omdat de verantwoordelijkheid voor de overdracht primair op de autoriteiten van de verzoekende lidstaat rust, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, van 30 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2537. Deze grond is dan ook ten onrechte aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd. De bewaring is onrechtmatig.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:12778:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht </para>
      <para>Bestuursrecht </para>
      <para>zaaknummer:  NL19.27874</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2019 in de zaak  tussen</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] </bridgehead>
    <para>(gemachtigde:  mr. M. Spapens),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder </bridgehead>
    <para>(gemachtigde:  mr.  A.M.H. van de Wal).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.</para>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om  toekenning  van schadevergoeding.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk  is  verschenen A. Biada. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen  door  zijn  gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiser stelt van Algerijnse  nationaliteit   te zijn  en te zijn   geboren op [geboortedatum]  2003.</para>
    <bridgehead role="italic">Ten aanzien van de leeftijdsregistratie</bridgehead>
    <para>2. Eiser voert aan dat hij minderjarig is, zijn geboortedatum zou [geboortedatum]  2003  zijn  en niet [geboortedatum] 2000. Daarbij voert hij aan dat verweerder de stukken die ten grondslag  liggen aan de leeftijdsaanpassing niet in het dossier heeft toegevoegd, waardoor van zijn minderjarigheid   dient  te worden uitgegaan.</para>
    <para>3. De rechtbank overweegt dat in de maatregel van bewaring is gemotiveerd dat ten aanzien van eiser van meerderjarigheid wordt uitgegaan. Door medewerkers van de politie,  het COA en de IND is de door eiser opgegeven leeftijd in twijfel getrokken. Ook is eiser de mogelijkheid geboden zijn leeftijd aan te tonen, hij heeft hier geen gebruik van gemaakt. Bovendien staat eiser in Slovenië geregistreerd als meerderjarige. Verweerder heeft dit ter zitting   nogmaals  bevestigd.  De rechtbank heeft geen aanknopingspunten in  het dossier om</para>
    <parablock>
      <para>niet van deze registratie als meerderjarige uit te gaan. Zij is dan ook van oordeel dat verweerder in de maatregel van bewaring voldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan ten aanzien van eiser van meerderjarigheid  is  uitgegaan.  De beroepsgrond slaagt  niet.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Ten aanzien van de vraag of de gronden feitelijk juist zijn en of daaruit blijkt van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregelnodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht  zal onttrekken.  Verweerder heeft, onder verwijzing   naar artikel 5.1b,  tweede, derde en vierde lid,   van het Vreemdelingenbesluit   (Vb), als zware gronden vermeld  dat eiser:</para>
    <parablock>
      <para>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</para>
      <para>3d. niet dan welniet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;</para>
      <para>3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting  tot terugkeer; 3m.  een overdrachtsbesluit  heeft ontvangen  en onmiddellijke   overdracht of overdracht op zeer korte termijn  noodzakelijk   is  ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is  voor  de behandeling  van zijn   asielverzoek;</para>
      <para>en als lichte  gronden  vermeld dat eiser:</para>
      <para>4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk  4 van het Vb heeft gehouden;</para>
      <para>4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld. Verweerder heeft ter zitting  de  grond  onder 3m laten vallen.</para>
    </parablock>
    <para>5. Eiser voert aan dat de in de maatregel van bewaring gegeven toelichting van de grond dat hij Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging heeft gedaan te voorbarig is, omdat er nog geen beslissing is genomen in de Dublinprocedure. Het gehoor in de Dublinprocedure  is  pas op  2 december 2019 gepland. Eiser voert verder aan dat uit deze grond zonder toelichting niet volgt dat sprake is van een significant risico dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Eiser heeft in dit  verband verwezen naar een uitspraak van deze  rechtbank, zittingsplaats   Zwolle,  van 30 april  2018<footnote-ref linkend="_169db911-dcd9-42af-b544-59e3ee5ffe4d" />.</para>
    <para />
    <para>6. De rechtbank volgt eiser in zoverre niet, dat de grond onder 3a niet kan worden tegengeworpen omdat de Dublinprocedure nog niet is afgerond. Voor het opleggen van de maatregel van bewaring  is  van belang  of er een concreet aanknopingspunt  voor  overdracht op grond van de Dublinverordening bestaat en niet of de Dublinprocedure voltooid is. Voorafgaand aan de oplegging van de maatregel, namelijk op 13 november 2019, was er claimakkoord van Slovenië,  zodat er een voldoende  concreet aanknopingspunt  voor overdracht bestond. De rechtbank volgt  eiser wel in  zijn  stelling  dat zonder  nadere motivering uit deze grond niet blijkt dat een significant risico bestaat dat hij zich aan de overdracht naar Slovenië zal onttrekken, onder verwijzing naar de uitspraak waar eiser naar heeft verwezen. Uit de in  de maatregel vermelde toelichting  dat eiser zich niet  heeft gehouden  aan de verplichting   die  op  hem rustte om zich  in  een andere lidstaat beschikbaar te houden  voor  de beoordeling  van zijn  aanvraag of de  uitvoering  van de  aldaar opgelegde </para>
    <para>terugkeerverplichting, dat eiser direct uit Slovenië is vertrokken toen de mogelijkheid zich voordeed en dat eiser herhaaldelijk  heeft aangegeven niet  terug te willen  naar Slovenië, volgt  dit  niet.</para>
    <para />
    <para>7. Eiser stelt verder dat uit de grond dat hij niet dan welniet voldoende  meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit zonder nadere toelichting niet blijkt dat een significant risico bestaat dat hij  zich  aan het toezicht  zal onttrekken. Ook in  dit  verband verwijst  hij  naar de  eerder door hem genoemde  uitspraak  van 30 april 2018.</para>
    <para />
    <para>8. De rechtbank volgt eiser in de stelling  dat uit  deze grond  niet  zonder toelichting volgt dat een significant risico bestaat dat hij zich aan het toezicht  zal onttrekken, gelet op deze uitspraak van 30 april 2018. Uit de in de maatregelvermelde toelichting dat eiser niet  met de consulaire vertegenwoordiger van zijn land wil  spreken, waardoor hij  de verificatie van de door hem verstrekte persoonsgegevens ontwijkt/belemmert en daarmee de voorbereiding van zijn vertrek/overdracht en de toelichting dat eiser bij zijn aanvraag in Slovenië andere personalia heeft gegeven, volgt  dit  evenmin.  Ook zonder deze  gegevens is  er immers  wel een claimakkoord  van Slovenië  gekomen.</para>
    <para />
    <para>9. Eiser betwist de relevantie  van de grond dat hij  te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer, omdat de Dublinprocedure nog aanhangig is en er nog geen overdrachtsbesluit is genomen. Op eiser rust dan ook nog geen verplichting   tot terugkeer naar Slovenië.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank volgt eiser in zoverre dat de grond 3i toepassing mist bij Dublinclaimanten,  omdat  de verantwoordelijkheid   voor de overdracht primair  op de  autoriteiten van de verzoekende lidstaat rust. Op eiser rust dan ook geen vertrekplicht<footnote-ref linkend="_10a8d699-ce69-4632-a3a8-1a298b4d19bd" />. Deze grond  is  dan ook  ten onrechte  aan de maatregel van bewaring ten grondslag  gelegd,  ook gelet op  het feit dat verweerder op de zitting   de zware grond  onder 3m heeft laten vervallen.</para>
    <para />
    <para>11. Eiser voert ten aanzien van de lichte grond dat hij zich niet aan een of meer andere voor  hem geldende  verplichtingen van hoofdstuk  4 van het Vb heeft gehouden in  de maatregel van bewaring  niet  is  gemotiveerd.  Verweerder heeft dit  ter zitting bevestigd.</para>
    <para />
    <para>12. De rechtbank stelt vast dat de lichte grond 4a in de maatregel van bewaring niet is gemotiveerd. Deze grond is in de maatregel dan ook onvoldoende gemotiveerd  en dient daarom bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregelbuiten beschouwing te blijven.</para>
    <bridgehead role="italic">Ten aanzien van de vraag of de gronden de maatregel in beginsel kunnen dragen</bridgehead>
    <para />
    <para>13. De rechtbank overweegt dat de grond dat eiser verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld – los van de vraag of de grond feitelijk  juist  is  - de maatregel niet kan dragen, gelet op het bepaalde in artikel 59a, eerste lid van de Vw, gelezen in samenhang met de artikelen 5.1a, vijfde  lid  en 5.1b, tweede lid  van het  Vreemdelingenbesluit   2000.  Het beroep is  dan ook gegrond.</para>
    <para />
    <para>14. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang  van 27  november 2019.</para>
    <para />
    <para>15. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank wanneer zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 105,-  (verblijf  politiecel)   en 6 x € 80,-  (verblijf   detentiecentrum)</para>
    <para>= € 1.005,-.</para>
    <para />
    <para>16. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit  proceskosten bestuursrecht voor  de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op  € 1.024,-  (1 punt voor  het indienen van het beroepschrift  en 1 punt  voor het verschijnen  ter zitting   met een waarde per punt van</para>
    <parablock>
      <para>€ 512,-  en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging  is  verleend, moet</para>
      <para>verweerder de  proceskostenvergoeding  betalen  aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep gegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>beveelt de opheffing  van de maatregel van bewaring met ingang  van 27 november   2019;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt de  Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding  aan eiser tot een bedrag van € 1.005,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze  schadevergoeding;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €  1.024,-<emphasis role="bold">.</emphasis></para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Sneevliet, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Zwijnenberg,  griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is  in  het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>27 november 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: DSR9542966</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen  één week na de  dag van bekendmaking.</para>
  </section>
  <footnote id="_169db911-dcd9-42af-b544-59e3ee5ffe4d" label="1">
    <para>ECLI:NL:RBDHA:2018:5662</para>
  </footnote>
  <footnote id="_10a8d699-ce69-4632-a3a8-1a298b4d19bd" label="2">
    <para>De rechtbank verwijst naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraakvan de Raad van State, van 30 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2537.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>