<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:12707</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-16T11:25:42</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-11-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-11-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.23199  en NL19.23220</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Utrecht</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12707">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:12707</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-12-02T09:40:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-12-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:12707 Rechtbank Den Haag , 18-11-2019 / NL19.23199  en NL19.23220</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:12707:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Bewaring, aanwijzing mensenhandel, bedenktijd ingevolge par. B8/3.1 van de Vc.</para>
        <para>Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte geen bedenktijd heeft gegund zoals bedoeld in paragraaf B8/3.1 van de Vc. De bewaringsrechter kan toetsen of een vreemdeling declaratoir verblijfsrecht heeft op grond van het Unierecht. Onder verwijzing naar art. 6 van Richtlijn 2004/81/EG is de rechtbank van oordeel dat dat het hebben van bedenktijd geen EU-verblijfsrecht oplevert en ook geen declaratoir verblijfsrecht. Gelet daarop oordeelt de bewaringsrechter niet over het besluit om eiseres al dan geen bedenktijd te verlenen. Beroep ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:12707:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>uitspraak</para>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e5ec1a0c-3906-469e-b161-437ac1929103" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="dd584855-4350-4063-a55a-d53279ed3ed3" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
    </para>
    <para />
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht</para>
      <para>zaaknummers:  NL19.23199  en NL19.23220</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de  enkelvoudige kamer in de  zaak tussen</bridgehead>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [eiseres] (V-nummer: [V-nummer] )</emphasis>, eiseres (gemachtigde:  mr. A. Spel),</para>
      <para>en</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid</emphasis>, verweerder (gemachtigde:  mr.  A.M.H. van de Wal).</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 30 september 2019 (bestreden besluit 1) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Verweerder heeft op diezelfde dag aan eiser en terugkeerbesluit en een inreisverbod (bestreden besluit 2) voor de duur van twee jaar opgelegd.</para>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt tevens tot een verzoek om  toekenning  van schadevergoeding.</para>
      <para>Verweerder heeft op 7 oktober  2019  de maatregel van bewaring opgeheven.</para>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is  verschenen M.A. Rauwerda. Verweerder heeft zich  laten vertegenwoordigen  door  zijn  gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiseres stelt de Colombiaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1979.</para>
    <bridgehead role="underline">Over bestreden besluit  1 (NL19.23199)</bridgehead>
    <para>2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de  vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregelvan bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is  geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing  van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding  ten laste  van de Staat toekennen.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Over de aanwijzing voor mensenhandel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>3. Eiseres voert aan dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is omdat zij aan het bepaalde in  paragraaf B8/3.1 van de Vreemdelingencirculaire  (Vc) rechtmatig verblijf  ontleent. Eiseres meent dat de vreemdelingenpolitie in hetgeen zij bij  de staandehouding  en later tijdens het gehoor heeft verklaard een aanwijzing  voor mensenhandel had moeten zien  en daarnaar had dienen te handelen. De vreemdelingenpolitie had haar dan ook bedenktijd  zoals  bedoeld  in  paragraaf B8/3.1 van de  Vc moeten gunnen,  aldus eiseres.</para>
    <para>4. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste rechtspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) dat de bewaringsrechter kan toetsen of een vreemdeling een declaratoir verblijfsrecht op grond van het Unierecht heeft. De bewaringsrechter kan dit toetsen als de betrokken vreemdeling daarvoor geen aanvraag heeft ingediend  of als verweerder naar aanleiding  van een aanvraag nog geen besluit  heeft genomen. Gelet daarop moet de rechtbank in deze zaak de vraag beantwoorden of het Unierecht een declaratoir verblijfsrecht kent tijdens de bedenktijd  voor (vermeende)  slachtoffers van mensenhandel. Dit  rechtbank is  van oordeel dat dit  niet  het geval is  en licht dit  als  volgt  toe. In punt  17 van de  preambule  van Richtlijn   2011/36/EU2    staat dat die richtlijn geen betrekking heeft op voor voorwaarden voor het verblijf van slachtoffers van mensenhandel op het grondgebied van de lidstaten. Voor dat laatste wordt verwezen naar Richtlijn 2004/81/EG3. Uit artikel 6 van Richtlijn 2004/81/EG  volgt  dat het hebben van bedenktijd  geen recht op verblijf   geeft op  grond van die  richtlijn.   De rechtbank is  dan ook van oordeel dat het hebben van bedenktijd geen Unierechtelijk verblijfsrecht oplevert en evenmin een declaratoir verblijfsrecht. Gelet op het voorgaande is het niet aan de bewaringsrechter om te oordelen over het besluit om eiseres al dan geen bedenktijd  te verlenen.  Tot slot  wijst  de rechtbank eiseres nog op  de mogelijkheid   om  op grond  van artikel 72, derde lid,  van de Vw bezwaar te maken tegen het besluit  om eiseres geen bedenktijd   te verlenen.  De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <bridgehead role="italic">Over het gestelde huwelijk</bridgehead>
    <para>5. Eiseres voert verder aan dat zij een Spaanse echtgenoot heeft en daaraan rechtmatig verblijf   ontleent.  Gelet  daarop is  de maatregel van bewaring onrechtmatig,  aldus eiseres.</para>
    <para>6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres heeft haar huwelijk op geen enkele wijze met documenten onderbouwd. Verder heeft eiseres tijdens  het gehoor  voor de inbewaringstelling   op 30  september 2019  verklaard dat zij  getrouwd is  met [A] . Ook heeft eiseres verklaard dat zij de  geboortedatum van haar echtgenoot niet wilde geven, omdat zij dat niet belangrijk  vond. De rechtbank is  daarom van oordeel dat eiseres haar gestelde huwelijk   en dus  ook  het daaraan ontleende  rechtmatig  verblijf  niet heeft onderbouwd.  De beroepsgrond slaagt  niet.</para>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="b0c38bdf-8d62-47ff-b164-9a40840c73f5" depth="1" width="194" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>1. Zie onder meer de uitspraken van 31 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR6665) en 14 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1911).</para>
    <para>2 van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011  inzake de voorkoming en bestrijding van</para>
    <para>mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van Kaderbesluit 2002/629/JBZ  van de Raad.</para>
    <para>3 van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de</para>
    <para>bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het s lachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Over de duur van de ophouding</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>7. Eiseres stelt dat haar ophouding langer dan zes uur heeft geduurd. Dit dient er volgens  eiseres toe  te leiden  dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.</para>
    <para>8. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de ophouding langer dan de maximale termijn van zes uur heeft geduurd. De ophouding heeft 35 minuten te lang geduurd.  Dit  maakt dat er een gebrek kleeft aan de vrijheidsontneming   van eiseres.</para>
    <para>9. Dit gebrek op zich leidt niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig  is.  Hiertoe  wordt pas geoordeeld  als  de met de  bewaring gediende  belangen niet  in  een redelijk  doel staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat van een dergelijke onevenwichtigheid in  dit  geval geen sprake is. In het dossier bevindt  zich  een ‘Proces- verbaal van bevindingen’   (model HV11). Daaruit blijkt   dat eiseres op 30 september 2019   om 11:01 gehoord zou worden, maar dat er op dat moment geen tolk  kon worden geleverd door  de tolkendienst.  Daardoor moest verweerder gebruik maken van een andere  tolkendienst. Het gehoor is  op 30 september 2019  om 12:10  beëindigd.  Verweerder heeft naar het oordeel van de  rechtbank voldoende  toegelicht  waarom de  ophouding   langer  dan zes uur heeft geduurd en ziet in de reden voor de termijnoverschrijding  ook  geen grond voor het oordeel dat de inbewaringstelling onrechtmatig moet worden geacht. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
    <bridgehead role="italic">Over de gronden van de maatregel</bridgehead>
    <para />
    <para>10. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat  het risico  bestond dat eiseres zich  aan het toezicht  zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit   (Vb), als  zware gronden vermeld  dat eiseres:</para>
    <parablock>
      <para>3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;</para>
      <para>3e. in verband met haar aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over haar identiteit,  nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;  en als lichte  gronden  vermeld dat eiseres:</para>
      <para>4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk  4 van het Vb heeft gehouden;</para>
      <para>4c. geen vaste woon- of verblijfplaats    heeft.</para>
    </parablock>
    <para>11. Eiseres bestrijdt alle gronden die  aan de maatregelten grondslag  liggen.  Uit  het dossier blijkt dat eiseres op 6 september 2019 vanuit Colombia de Europese Unie met een toeristenvisum is ingereisd. Eiseres is op 30 september 2019 aangetroffen bij een prostitutiecontrole   terwijl  zij  haar diensten aanbood. Op dat moment  voldeed  eiseres niet langer aan de voorwaarden van artikel 12 van de Vw. Daarnaast is gebleken dat eiseres met een ander doel dan waarvoor het visum is verstrekt Nederland is ingereisd. Verweerder heeft grond 3a dan ook terecht aan eiseres tegengeworpen. Ook grond 4c is terecht aan eiseres tegengeworpen. Eiseres heeft namelijk   zelf  verklaard dat zij   in  verschillende   huizen  en hotels  verbleef. Zij  was dan ook  niet  traceerbaar voor verweerder. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken.  Deze twee gronden kunnen  de maatregel van bewaring al dragen.  De overige</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>gronden van bewaring behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.</para>
      <para>
        <emphasis role="italic">Over een lichter middel</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>12. Voor zover eiseres met het beroep op de B8-regeling heeft willen betogen dat verweerder had dienen de volstaan met de oplegging van een lichter middel, overweegt de rechtbank als volgt.</para>
      <para>12. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende  maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke  motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst  op de uitspraken van de Afdeling  bestuursrechtspraak van de Raad van State van</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>23 februari 20154    en 10 april  20155    en het arrest van het Hof van Justitie  van de Europese</para>
      <para>Unie  van 5 juni 20146.</para>
    </parablock>
    <para>14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, gelet op wat hierboven is geoordeeld over de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat uit  de gronden  van de maatregel al volgt  dat er een risico  op onttrekking  aan het toezicht bestaat. Daarnaast is eiseres eerder op 21 mei 2019 met onbekende bestemming vertrokken. Er bestaat dus  een kans dat eiseres zich  opnieuw  aan het toezicht  onttrekt. Tot slot was eiseres niet traceerbaar voor verweerder, omdat zij in verschillende huizen en hotels verbleef. De beroepsgrond  slaagt niet.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Over bestreden besluit  2 (NL19.23220)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>15. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat de gronden gericht tegen de maatregel van bewaring ook zien op het terugkeerbesluit  en het inreisverbod.  De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat deze beroepsgronden niet slagen. Gelet daarop is  ook het beroep gericht tegen het terugkeerbesluit  en het inreisverbod  ongegrond.</para>
    <bridgehead role="underline">Over de beroepen</bridgehead>
    <parablock>
      <para>16. Het beroep tegen de bestreden besluiten is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek  om  schadevergoeding afgewezen.</para>
      <para>16. Gelet op het gebrek in het voortraject bestaat aanleiding  voor  het toekennen van een proceskostenveroordeling.  De rechtbank verwijst  hierbij  naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de  Raad van State7  en veroordeelt  verweerder in de door  eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond  van het Besluit</para>
    </parablock>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="732ec147-335a-4fb2-9ce1-6f97302d7de8" depth="1" width="194" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>4 ECLI:NL:RVS:2015:674</para>
    <para>5 ECLI:NL:RVS:2015:1309</para>
    <para>6 ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi</para>
    <para>7 Bijvoorbeeld de uitspraak van 21 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:906.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>proceskosten bestuursrecht voor  de door  een derde beroepsmatig  verleende  rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt  voor het indienen  van het beroepschrift en 1 punt  voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,-  en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de  rechtsbijstandverlener.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
      <para>
        <emphasis role="underline">Ten aanzien  van de zaak met nummer  NL19.23199</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>verklaart het beroep ongegrond;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>wijst  het verzoek om  schadevergoeding af;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €  1.024,-.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <bridgehead role="underline">Ten aanzien  van de zaak met nummer  NL19.23220</bridgehead>
    <para>- verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Vranken, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is  in  het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>18 november 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="8e9c3d24-51a5-4bb5-8fda-307d495bc2b7" depth="82" width="251" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Documentcode: DSR9403396</title>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen  één week na de dag van bekendmaking.</para>
      <para>Tegen deze uitspraak voor  zover die  over bestreden besluit  2 gaat, kan hoger beroep worden</para>
      <para>ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de  Raad van State binnen  vier weken na de  dag van bekendmaking.</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>