<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:10859</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-24T14:32:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-10-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7849309 RP VERZ 19-50365</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10859">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10859</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-24T14:28:04</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-10-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:10859 Rechtbank Den Haag , 15-10-2019 / 7849309 RP VERZ 19-50365</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:10859:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Minnelijke regeling met betrekking tot erfscheiding, in kader van project "De wijkrechter".</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:10859:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">RECHTBANK DEN HAAG </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats ’s-Gravenhage  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: 7849309 RP VERZ 19-50365</para>
      <para>15 oktober 2019</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter inzake het verzoek ex artikel 96 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verzoekster,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verweerder] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Partijen worden hierna aangeduid als [verzoekster] en [verweerder] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het verloop van de procedure</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] heeft in overeenstemming met het Procesreglement Project Wijkrechter een aanmeldformulier ingediend, door het Bureau Wijkrechter ontvangen op 20 juni 2019. [verzoekster] heeft het aanmeldformulier nader toegelicht bij een bij het aanmeldformulier gevoegde brief van 17 juni 2019.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Partijen hebben vervolgens beiden ingestemd met een procedure onder de naam ‘De Wijkrechter’, op welke procedure evenvermeld procesreglement van toepassing is. De procedure wordt gevoerd bij een kantonrechter, hierna ook aangeduid als ‘de wijkrechter’.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op 12 september 2019 is een mondelinge behandeling gehouden in het wijkcentrum Lageveld aan de Middenweg 129 te 2548 VE Den Haag. Ter zitting zijn partijen verschenen en hebben zij hun wederzijdse standpunten toegelicht. Op 1 oktober 2019 is een nadere mondelinge behandeling ter plaatse van de woningen van partijen gehouden en heeft de wijkrechter de situatie ter plaatse in ogenschouw genomen. Bij deze gelegenheid hebben partijen een minnelijke regeling getroffen, met het verzoek van partijen aan de wijkrechter om deze regeling in een vonnis vast te leggen. Van de mondelinge behandelingen heeft de griffier aantekening gehouden.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.4.</nr>
      <para>Vervolgens is het vonnis bepaald op heden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De vaststaande feiten</title>
    <para>De wijkrechter gaat uit van de volgende feiten. </para>
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>
        [verzoekster] woont in een eengezins(huur)woning aan de [adres 1] te [plaats] . [verweerder] woont in de daarnaast gelegen eengezins(huur)woning aan de [adres 2] . Beide woningen hebben een voor- en achtertuin. Op de erfgrens van de beide achtertuinen is een houten schutting geplaatst. In de tuin van [verzoekster] zijn, naast en tegen de schutting, onder andere klimop en rozenstruiken geplant. Deze beplanting van [verzoekster] is in het verleden over en door de schutting heen gegroeid. Daarover - en over de vraag hebben wie het snoeien van de beplanting ter hand dient te nemen - hebben partijen gediscussieerd. Inmiddels is de beplanting van [verzoekster] grotendeels gesnoeid, zodanig dat deze niet meer over de erfgrens komt. Ten tijde van de mondelinge behandeling van 1 oktober 2019 staken nog enkele uitlopers van de klimop en een enkele tak van de rozenstruiken door of over de schutting heen.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het gezamenlijk verzoek</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Partijen hebben de wijkrechter op de voet van het bepaalde in artikel 96 Rv (nader) verzocht, zakelijk weergegeven, te bepalen:</para>
      <orderedlist numeration="loweralpha">
        <listitem>
          <para>hoe partijen zich in hun onderlinge communicatie hebben te gedragen, meer in het bijzonder ten aanzien van het gebruik van scheldwoorden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>door wie op welke wijze en op wiens kosten hun achtertuinen dienen te worden afgescheiden;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>door wie en op welke wijze de over de erfgrens groeiende beplanting (nu en in de toekomst) dient te worden gesnoeid.</para>
        </listitem>
      </orderedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>Partijen hebben aanvankelijk met betrekking tot de onder 3.1 vermelde geschilpunten onverenigbare standpunten naar voren gebracht. Uiteindelijk hebben partijen  echter, op voorstellen van de wijkrechter daartoe, na te melden minnelijke regeling bereikt.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>De beoordeling</title>
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>De kantonrechter ziet aanleiding de door partijen getroffen minnelijke regeling in dit vonnis vast te leggen en partijen te veroordelen tot nakoming van deze regeling.</para>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <parablock>
        <para>De in deze regeling opgenomen vervanging van de schutting en het verwijderen van beplanting zal naar verwachting met zich mee brengen dat op korte termijn geen geschil tussen partijen meer bestaat over (het snoeien van) beplanting die de erfgrens overschrijdt. In de toekomst zouden dergelijke geschillen echter, door het verder groeien van (andere) beplanting, weer vrij gemakkelijk kunnen ontstaan. Daarom wijst de kantonrechter ter voorlichting van partijen nog op artikel 5:44 van het Burgerlijk Wetboek, waarin is bepaald:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">”Indien een nabuur wiens beplantingen over eens anders erf heenhangen, ondanks aanmaning van de eigenaar van dit erf, nalaat het overhangende te verwijderen, kan laatstgenoemde eigenaar eigenmachtig het overhangende wegsnijden en zich toeëigenen.”.    </emphasis>
        </para>
        <para>Daarbij geldt dat indien sprake is van in redelijkheid gemaakte en redelijke snoeikosten, deze kosten in beginsel voor rekening komen van degene die de beplanting, na een aanmaning tot verwijdering, over het andere erf laat hangen.</para>
      </parablock>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De kosten van de procedure zullen zo worden gecompenseerd, dat beide partijen ieder de eigen proceskosten zullen dragen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para>De wijkrechter, rechtsprekend ex artikel 96 Rv:</para>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1</nr>
      <parablock>
        <para>verstaat dat partijen ter beëindiging van het onderhavige geschil een mondelinge</para>
        <para>	vaststellingsovereenkomst hebben gesloten die als volgt luidt:</para>
        <para>	”</para>
      </parablock>
      <para>1. <emphasis role="italic">Partijen zullen over en weer niet (meer) schelden naar elkaar of anderszins</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">		kwetsende dingen tegen elkaar zeggen;</emphasis>
      </para>
      <para>2. <emphasis role="italic">[verzoekster] zal uiterlijk op 15 maart 2020 de in haar achtertuin aanwezige klimop,</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">		naast en tegen de houten schutting op de erfgrens met de achtertuin van [verweerder] ,</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		(laten) 	verwijderen; [verzoekster] zal voorts haar rozenstruiken zo (laten) snoeien, dat</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		deze de erfgrens met de achtertuin van [verweerder] niet meer overschrijden; eventuele</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		verwijderings- of snoeikosten komen voor rekening van [verzoekster] ;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para>3. <emphasis role="italic">[verweerder] zal uiterlijk op 1 april 2020, op zijn kosten, de huidige schutting op de</emphasis></para>
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">		erfgrens (laten) verwijderen en een nieuwe schutting op de erfgrens (laten)</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		plaatsen; deze schutting dient in verband met de privacy van partijen het zicht op</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">		elkaars erf zoveel mogelijk te ontnemen.”;</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2</nr>
      <parablock>
        <para>veroordeelt partijen tot nakoming van de hiervoor onder 5.1 vermelde</para>
        <para>	vaststellingsovereenkomst;</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3</nr>
      <parablock>
        <para>compenseert de kosten van de procedure zo, dat partijen ieder de eigen kosten</para>
        <para>	zullen dragen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit vonnis is gewezen door mr. B.C. Vink, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>