<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2019:10097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-10-09T10:47:44</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBAMS:2019:4983</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2019-07-08</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL19.13638 en NL19.13639</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10097">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2019:10097</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-09-27T09:40:29</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-09-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2019:10097 Rechtbank Den Haag , 08-07-2019 / NL19.13638 en NL19.13639</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2019:10097:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>AA-zaak, asielzoeker met onbekende bestemming vertrokken, geen procesbelang</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2019:10097:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL19.13638 (beroep) en NL19.13639 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V-nummer: [V-nummer]</para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 8 juli 2019 in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J-A. Nijland),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R. Jonkman).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 juni 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 4 juli 2019 heeft verweerder een nader stuk ingediend. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 juli 2019. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser is met bericht van verhindering niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. De beslissing en de gronden van de beslissing luiden als volgt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak NL19.13638 (beroep) </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep niet-ontvankelijk; </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak NL19.13639 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. </para>
    <para />
    <para>2. Verweerder heeft op 4 juli 2019 een stuk in het digitaal dossier geplaatst. Daaruit blijkt onder andere dat volgens DT&amp;V en de Vreemdelingenpolitie eiser inmiddels zijn zelfstandige woonruimte heeft verlaten. Vervolgens heeft de griffier dezelfde dag telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser voor een reactie hierover. De gemachtigde van eiser heeft de griffier - nadat zij daarvoor navraag had gedaan bij Nidos - telefonisch medegedeeld dat Nidos nog iets van contact heeft met eiser, dat zij geen direct contact met eiser heeft maar via Nidos en dat eiser via Nidos op de hoogte is gesteld van deze zitting. Naar aanleiding daarvan heeft de griffier de gemachtigde van zowel verzoeker als verweerder vervolgens telefonisch gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:579) en aangegeven dat de rechtbank de zitting zal beginnen met het voorhouden van deze uitspraak in het licht van wat nu over eiser bekend is. Op 7 juli 2019 heeft de gemachtigde van eiser een bericht in het digitaal dossier geplaatst dat zij, mede naar aanleiding van het telefoongesprek met de rechtbank van vorige week, niet namens eiser op de zitting zal verschijnen en dat zij de rechtbank verzoekt om uitspraak te doen op basis van de dossierstukken.</para>
    <para />
    <para>3. Uit voornoemde rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.</para>
    <para />
    <para>4. De gemachtigde van eiser is niet ter zitting verschenen om het voorgaande nader toe te lichten en heeft hierover ook geen nadere toelichting gegeven in haar bericht van 7 juli 2019. Eiser is ook niet op de zitting verschenen. </para>
    <para />
    <para>5. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op een inhoudelijke beoordeling van het beroep en geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het door hem ingestelde beroep. </para>
    <para />
    <para>6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist, is geen aanleiding een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is op 8 juli 2019 in het openbaar gedaan door mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.S.H.M. Hussien, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier	</para>
      <para>						(voorzieningen)rechter</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak op het beroep kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.</para>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>