<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:6947</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-03-06T12:17:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-04-26</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL17.13364</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Amsterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:RVS:2019:454" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan">Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:454, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:6947">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:6947</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-13T09:41:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:6947 Rechtbank Den Haag , 26-04-2018 / NL17.13364</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:6947:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eiseres is een Chinese vrouw. Zij en haar zoontje, die nog in China verblijft, zijn besmet met HIV. Als gevolg hiervan is zij door haar broer en zijn vrouw uit hun huis gezet en verstoten uit het dorp. De vader van haar zoon heeft zij ook niet meer gezien. Eiseres woonde daarna met haar zoon bij haar ouders. Haar zoontje kon naar school zolang zijn medische situatie onbekend was. Eiseres kon geen werk krijgen vanwege haar ziekte. Om in aanmerking te komen voor een uitkering, moest eiseres alle gegevens over haar medische toestand overleggen, hetgeen zij niet wilde omdat dan bekend werd in de samenleving dat zij hiv-positief was. Nadat de man met wie zij getrouwd was erachter kwam dat zij HIV besmet was, heeft hij eiseres geslagen en haar de deur gewezen. In aanmerking genomen dat China een maatschappij is waar het collectief centraal staat en gelet op hetgeen eiseres heeft verklaard over haar verstoten positie in de maatschappij, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de ondervonden discriminatie niet zodanig was dat het onmogelijk was voor eiseres om op maatschappelijk en sociaal niveau te functioneren en het leven voor eiseres daardoor onhoudbaar was geworden. Daarmee is onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de ondervonden discriminatie niet als vervolging kan worden aangemerkt. Beroep is gegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:6947:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG 						</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
      <para>
        <?linebreak?>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL17.13364</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [V-nummer]  </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 26 april 2018 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>geboren op [geboortedatum] 1976, van Chinese nationaliteit, eiseres</para>
      <para>(gemachtigde: mr. M.M. Volwerk),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</para>
      <para>(gemachtigde: mr. E. Söylemez).<?linebreak?></para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 27 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 14 april 2016 tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Aan eiseres is uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 van 1 december 2016 tot 27 oktober 2018. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 22 november 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2018. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.</para>
    </parablock>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Asielrelaas</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.	Eiseres heeft het volgende relaas aan haar aanvraag ten grondslag gelegd. Eiseres heeft verklaard dat haar zoontje zo vaak ziek was, dat zij daarom met hem naar het ziekenhuis ging. Daar werd eiseres samen met haar zoontje opgesloten. Na deze opsluiting en verschillende onderzoeken werd aan eiseres verteld dat zij en haar zoontje hiv-positief zijn. Eiseres is daarna door haar broer en zijn vrouw uit huis gezet en is verstoten uit het dorp. Ook haar toenmalige vriend en de vader van haar zoon, heeft zij niet meer gezien. Eiseres is verhuisd naar de [stad] en woonde met haar zoontje bij haar moeder. Eiseres heeft tevergeefs geprobeerd werk te zoeken, maar nergens werd zij aangenomen vanwege haar ziekte. Zij heeft zichzelf in leven gehouden door het verzamelen van lege flessen. Eiseres is getrouwd met een man, [naam] . Toen hij hoorde van de ziekte van eiseres, heeft hij eiseres geslagen en haar de deur gewezen. Vervolgens is eiseres naar het buitenland gevlucht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">Standpunt verweerder</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Verweerder heeft de volgende relevante elementen in het asielrelaas van eiseres onderscheiden:</para>
      <para>a.	eiseres heet [eiseres] , is geboren op [geboortedatum] 1976 en van Chinese nationaliteit. Zij woonde tot haar vertrek in de [stad] ;</para>
      <para>b.	eiseres is besmet met hiv;</para>
      <para>c. 	eiseres is opgesloten in het ziekenhuis ten gevolge van de hiv-besmetting;</para>
      <para>d.	eiseres is gediscrimineerd vanwege haar hiv-besmetting;</para>
      <para>e.	eiseres is gehuwd en mishandeld door haar man die de relatie heeft verbroken.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Verweerder heeft alle relevante elementen geloofwaardig geacht. Verweerder heeft echter geconcludeerd dat geen aanleiding is voor de conclusie dat eiseres in China een gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hiertoe acht verweerder van belang dat eiseres heeft verklaard geen problemen te hebben gehad vanwege haar geloof, etnische afkomst of nationaliteit, dan wel haar politieke overtuiging. Verweerder heeft zich in het verweerschrift - anders dan in het besluit -  op het standpunt gesteld dat hiv-geïnfecteerden in China aan te merken zijn als sociale groep. Er is volgens verweerder echter geen sprake van een dusdanige discriminatie als gevolg van haar hiv-besmetting dat zij beperkt wordt in haar bestaansmogelijkheden om op maatschappelijk en sociaal vlak te kunnen functioneren. Eiseres kan immers bij haar ouders terecht omdat zij haar niet discrimineren en zij is niet onthouden van medische zorg. Gelet hierop heeft verweerder geconcludeerd dat de vrees van eiseres onvoldoende zwaarwegend is voor de conclusie dat eiseres bij terugkeer naar China gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel zal worden onderworpen aan een door artikel 3 van het EVRM<footnote-ref linkend="_94d9e4bb-69fd-43a8-ab0a-c0fdcbd47ada" /> dan wel artikel 3 van het Anti-folterverdrag<footnote-ref linkend="_66bbb2cd-7e42-4b25-bfe9-ec9d38c0c387" /> verboden behandeling. Volgens verweerder komt eiseres dan ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Standpunt eiseres</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>3. Eiseres voert aan dat in de zienswijze diverse rapporten zijn gevoegd, dan wel geciteerd, waaruit blijkt dat in China sprake is van vergaande discriminatie en verstoting van hiv-besmette personen. Verweerder stelt ten onrechte dat niet zou zijn gewezen op de bron. Ook de stelling van verweerder dat hulp voorhanden was, is onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft aan de orde gesteld dat zij niet naar een hulpinstantie durfde te stappen uit angst dat haar gegevens bekend zouden worden gemaakt. Zij heeft haar angst nader onderbouwd met voorbeelden en verwijzing naar het rapport ‘The Experience of People living with HIV in Liuzhou’. Tevens voert eiseres aan dat zij duidelijk heeft gemaakt dat zij lang niet altijd de middelen had om de noodzakelijke bloedonderzoeken te laten verrichten. Dat de kosten in het algemeen zijn teruggelopen, maakt haar verklaringen niet anders. Eiseres leefde van de opbrengst van gevonden flessen, hetgeen een bestaan op substandaardniveau was. De zoon van eiseres kon zich alleen staande houden op school zolang niemand wist dat hij hiv-besmet was. Gelet hierop is eiseres van mening dat haar leven in China wel degelijk onhoudbaar was. Als zij zou terugkeren, zou haar opnieuw een dergelijk onhoudbaar leven te wachten staan. Dit levert wel degelijk gegronde vrees voor vervolging en een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM en artikel 3 van het Anti-folterverdrag op, aldus eiseres.  </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank – levert de ondervonden discriminatie vervolging op?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>4. De vraag wanneer discriminatie vervolging oplevert is onder meer uitgewerkt in paragraaf §54 van het Handbook<footnote-ref linkend="_cda8704e-5ec5-4a06-8a92-aa669266c31c" />. Hierin is het volgende bepaald:</para>
      <parablock>
        <para>“<emphasis role="italic">Differences in the treatment of various groups do indeed exist to a greater or lesser</emphasis></para>
        <para>
          <emphasis role="italic">extent in many societies. Persons who receive less favourable treatment as a result</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">of such differences are not necessarily victims of persecution. It is only in certain</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">circumstances that discrimination will amount to persecution. This would be so if</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">measures of discrimination lead to consequences of a substantially prejudicial nature for</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">the person concerned, e.g. serious restrictions on his right to earn his livelihood, his right</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">to practise his religion, or his access to normally available educational facilities.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>En in §55 is bepaald:</para>
        <para>
          <emphasis role="italic">“Where measures of discrimination are, in themselves, not of a serious character, they</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">may nevertheless give rise to a reasonable fear of persecution if they produce, in the</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">mind of the person concerned, a feeling of apprehension and insecurity as regards his</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">future existence. Whether or not such measures of discrimination in themselves amount</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">to persecution must be determined in the light of all the circumstances. A claim to fear of</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">persecution will of course be stronger where a person has been the victim of a number</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">of discriminatory measures of this type and where there is thus a cumulative element</emphasis>
        </para>
        <para>
          <emphasis role="italic">involved.”</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>5. Verweerder voert op grond van paragraaf C2/2.5.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 het beleid dat discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers onder omstandigheden als daad van vervolging kan worden aangemerkt. Hiervan is sprake indien de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren. Een asielzoeker wordt als verdragsvluchteling aangemerkt, indien hij aannemelijk maakt dat discriminatie voor hem persoonlijk heeft geleid tot ernstige beperkingen in zijn bestaan én aannemelijk is dat de autoriteiten hem niet hebben kunnen of willen beschermen tegen deze vorm van discriminatie.</para>
      <para />
      <para>6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de discriminatie die zij in China ondervond omdat zij hiv-besmet is een dusdanig ernstige beperking van haar bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebeid te kunnen functioneren. Eiseres heeft onweersproken verklaard dat zij is verstoten door haar man en door haar familie, met uitzondering van haar ouders. Na de ontdekking van haar ziekte is zij door haar broer en zijn vrouw uit het huis gezet en uit het dorp verstoten waar zij destijds verbleef. Ook haar vrienden lieten haar in de steek. Zij woonde in een klein dorp met haar ouders. Haar zoontje kon (en kan nog steeds, want hij is nog in China) naar school zolang op school zijn medische situatie onbekend was (is). </para>
      <parablock>
        <para>Om in aanmerking te komen voor een uitkering, moest eiseres alle gegevens over haar medische toestand overleggen aan de uitkeringsinstantie. Omdat eiseres niet wilde dat bekend werd in de samenleving dat zij hiv-positief is, durfde zij haar medische gegevens niet in te brengen, met als gevolg dat zij geen uitkering kreeg. De angst om verder uitgesloten te worden van de samenleving en de angst dat haar zoon niet meer naar school zou kunnen gaan, wanneer daar bekend zou worden dat eiseres en haar zoon hiv-positief zijn, is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de verklaringen van eiseres en de overgelegde stukken, niet irreëel. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet van eiseres verlangd kan worden om deze uitkering, met alle gevolgen van dien, aan te vragen. Daarnaast blijkt uit de overgelegde stukken dat deze uitkering bij lange na niet genoeg is voor de kosten van haar medische behandeling. </para>
        <para>Ook heeft eiseres verklaard dat zij geen werk kon krijgen vanwege haar medische situatie. Voor elke sollicitatie moest zij immers een medisch onderzoek ondergaan en als bleek dat zij hiv-positief was, werd zij niet aangenomen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres dit niet heeft onderbouwd. Uit de algemene informatie waar eiseres naar heeft verwezen, blijkt echter dat het voor hiv-patiënten moeilijker is dan voor andere personen in China om werk te vinden, hetgeen verweerder niet heeft betwist. </para>
        <para>In aanmerking genomen dat China een maatschappij is waar het collectief centraal staat en gelet op al hetgeen eiseres heeft verklaard over haar verstoten positie in de maatschappij, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de ondervonden discriminatie vanwege de hiv-besmetting niet zodanig was dat het onmogelijk voor eiseres was om op maatschappelijk en sociaal niveau te functioneren en het leven van eiseres daardoor onhoudbaar was geworden. Daarmee is onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom de ondervonden discriminatie niet als vervolging kan worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="italic">Oordeel rechtbank – moet de medische toestand van eiseres leiden tot een asielvergunning?</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <para>7. Ten aanzien van het betoog van eiseres dat haar uitzetting naar China wegens haar medische situatie in strijd is met artikel 3 van het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.1</nr>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat dit betoog er niet toe kan leiden dat zij krachtens artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.2</nr>
      <parablock>
        <para>Zoals volgt uit de punten 31-46 van het arrest M'Bodj van het Hof van Justitie van 18 december 2014<footnote-ref linkend="_e19f1be9-c95b-4428-807b-393b1e2b2ad0" />, kan geen subsidiaire beschermingsstatus, als bedoeld in de Richtlijn 2011/95/EU<footnote-ref linkend="_9746756d-f177-4c18-8226-82e77057e467" /> worden toegekend als volgens vaste rechtspraak van het EHRM<footnote-ref linkend="_2e0064d6-09ea-4d26-aeeb-b71ed1382a8f" /> uitzetting in verband met de medische toestand van een vreemdeling wegens uitzonderlijke omstandigheden leidt tot een schending van artikel 3 EVRM. Verlening van een verblijfsvergunning wegens het bestaan van vorenbedoelde medische toestand krachtens een nationale verleningsgrond die mede strekt ter implementatie van de Kwalificatierichtlijn is in strijd met het Unierecht. Weliswaar laat dit onverlet dat lidstaten ervoor kunnen kiezen om een nationale beschermingsstatus toe te kennen, maar hiervoor is wel vereist, zo volgt uit de punten 117-121 van het arrest B. en D. van het Hof van Justitie van 9 november 2010<footnote-ref linkend="_4e9bc544-22d3-484c-a1d0-6481f82cc583" />, dat in de wetgeving een duidelijk onderscheid wordt gemaakt tussen de nationale bescherming en de door de Kwalificatierichtlijn vereiste internationale bescherming.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.3</nr>
      <parablock>
        <para>Artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, maakt sinds 1 januari 2014 een dergelijk onderscheid niet meer. De daarin opgenomen limitatieve opsomming van gronden voor verlening van een verblijfsvergunning asiel bevat sinds die datum immers uitsluitend nog de gronden waarop volgens de Kwalificatierichtlijn internationale bescherming moet worden geboden<footnote-ref linkend="_e2515ec9-37f2-430a-9403-c57e7ca4e574" />. Het biedt dan ook geen grondslag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd wegens de medische toestand van een vreemdeling. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>7.4</nr>
      <para>In artikel 6.1e, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 is bepaald dat verweerder bij afwijzing van een eerste asielaanvraag tevens ambtshalve moet beoordelen of met toepassing van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek moet worden verleend. In dit geval heeft verweerder bij het bestreden besluit met toepassing van artikel 6.1e, eerste lid, van het Vb 2000 aan eiseres uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw, waarmee hij aan het beroep van eiseres op artikel 3 EVRM is tegemoetgekomen. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit ertoe leidt dat zij wegens haar medische situatie in strijd met artikel 3 EVRM zal worden uitgezet<footnote-ref linkend="_14f8d24e-a5e0-484c-9494-655042892212" />. Deze beroepsgrond slaagt niet.  </para>
      <para />
      <para>8. Gelet op hetgeen in rechtsoverwegingen 4 tot en met 6 is overwogen, is het bestreden besluit genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.  De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. </para>
      <para />
      <para>9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiseres een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.</para>
      <para />
      <para>
        <?linebreak?>
      </para>
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para />
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para />
    <para>- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para />
    <para>
      <emphasis role="italic">- 	</emphasis>veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier. </para>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2018. <?linebreak?></para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier </para>
      <para>									 rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_94d9e4bb-69fd-43a8-ab0a-c0fdcbd47ada" label="1">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).</para>
  </footnote>
  <footnote id="_66bbb2cd-7e42-4b25-bfe9-ec9d38c0c387" label="2">
    <para> Verdrag tegen foltering en andere wrede onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, van 10 december 1984. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_cda8704e-5ec5-4a06-8a92-aa669266c31c" label="3">
    <para> Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status under the 1951 Convention and the 1967 Protocol related to the status of refugees, Geneva 1979</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e19f1be9-c95b-4428-807b-393b1e2b2ad0" label="4">
    <para>ECLI:EU:C:2014:2452.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_9746756d-f177-4c18-8226-82e77057e467" label="5">
    <para>PB 2011, L 337 (de Kwalificatierichtlijn)</para>
  </footnote>
  <footnote id="_2e0064d6-09ea-4d26-aeeb-b71ed1382a8f" label="6">
    <para> Europees Hof voor de Rechten van de Mens. </para>
  </footnote>
  <footnote id="_4e9bc544-22d3-484c-a1d0-6481f82cc583" label="7">
    <para>ECLI:EU:C:2010:661.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_e2515ec9-37f2-430a-9403-c57e7ca4e574" label="8">
    <para> Zie Kamerstukken II, 2006/07, 30 925, nr. 3, blz. 4 en 14, Kamerstukken II, 2008/09, 31 994, nr. 3, </para>
    <para>blz. 11-12 en Kamerstukken II, 2011/12, 33 293, nr. 3, blz. 2-4 en 19-20.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_14f8d24e-a5e0-484c-9494-655042892212" label="9">
    <para> Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1733.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>