<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:5874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-08T10:58:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL18.7489</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:5874">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:5874</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-06-08T10:57:45</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:5874 Rechtbank Den Haag , 09-05-2018 / NL18.7489</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:5874:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Asiel aanvraag, aanvraag buiten behandeling gesteld, niet verschenen voor gehoor, inreisverbod en terugkeerbesluit blijven in stand, niet aangetoond dat vreemdeling ten tijde van opleggen inreisverbod Nederland al zou hebben verlaten, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:5874:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL18.7489</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser, </bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. D. de Vries),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 11 april 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000. Daarbij heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft op 13 maart 2018 een asielaanvraag ingediend. Hij is uitgenodigd om op 20 maart 2018 zijn asielaanvraag toe te lichten. Eiser is, zonder voorafgaande kennisgeving, niet op deze afspraak verschenen. Ook op de afspraak van 26 maart 2018 is eiser niet verschenen. </para>
    <para />
    <para>2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld, omdat eiser niet is verschenen voor het gehoor en hiervoor geen verschoonbare reden heeft gegeven. Met dat besluit heeft verweerder bovendien bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en heeft tegen hem een inreisverbod voor de duur van twee jaren uitgevaardigd.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser is het niet geheel eens met het bestreden besluit. Hij verzet zich niet tegen het buiten behandeling stellen van zijn asielaanvraag. Met het terugkeerbesluit en het inreisverbod kan hij zich echter niet verenigen. Eiser betoogt primair dat  een lidstaat slechts bevoegd is om een terugkeerbesluit uit te vaardigen tegen iemand die, illegaal, op zijn grondgebied verblijft. Eiser verbindt hieraan de gevolgtrekking dat verweerder in dit geval niet bevoegd was om tegen hem een terugkeerbesluit uit te vaardigen. Hij bevond zich ten tijde van het bestreden besluit immers niet op Nederlands grondgebied. Subsidiair voert eiser aan dat verweerder de duur van het inreisverbod ondeugdelijk heeft gemotiveerd. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115/EG, is verweerder slechts bevoegd tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit indien de vreemdeling zich op Nederlands grondgebied bevindt. Over het algemeen zal een vreemdeling die bij verweerder een aanvraag heeft ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel, ten tijde van het bestreden besluit nog in Nederland verblijven. In dit geval heeft verweerder niet hoeven vermoeden dat eiser het grondgebied ten tijde van het bestreden besluit reeds zou hebben verlaten. In de zienswijze heeft eiser namelijk volhardt in zijn verblijfsaanspraken en pas in beroep stelt de gemachtigde van eiser zich op het standpunt dat eiser het land zou hebben verlaten zonder dit op enige wijze nader te onderbouwen. Nu niet duidelijk is of en wanneer eiser Nederland heeft verlaten, heeft verweerder een terugkeerbesluit en inreisverbod kunnen opleggen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ten aanzien van de duur van het inreisverbod overweegt de rechtbank dat eiser in de gelegenheid gesteld is bijzondere omstandigheden kenbaar te maken die zouden moeten leiden tot een beperking van de duur van het inreisverbod. Eiser heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Gelet hierop heeft verweerder de termijn kunnen vaststellen op twee jaren. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <?linebreak?>Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Bijvank, griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>