<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:5434</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-09T10:00:20</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-07</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-05-07</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/551492 / KG RK 18-542</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:5434">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:5434</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-07T14:24:31</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-09</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:5434 Rechtbank Den Haag , 07-05-2018 / C/09/551492 / KG RK 18-542</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:5434:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afgewezen wrakingsverzoek. De wrakingskamer overweegt dat de kantonrechter kritische vragen heeft gesteld over de grondslag van de vordering, waarna hij zijn visie heeft gegeven op de zaak. De kantonrechter heeft deze visie weliswaar direct geformuleerd, maar uit de context blijkt dat sprake was van een voorlopig oordeel.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:5434:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="01702593-8da5-4d11-bc9c-172ac4beac3e" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="18c5de24-3a82-4bac-84fb-6c1f5f19829c" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Meervoudige wrakingskamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wrakingnummer 2018/28</emphasis>
      </para>
      <para>zaak-/rekestnummer: C/09/551492 KG RK 18/542</para>
      <para>zaaksnummer: 6679386 RP VERZ 18-50134</para>
      <para>datum beschikking: 7 mei 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] , </emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para>verzoekster, </para>
      <para>gemachtigde: mr. H. Uzumcu</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot wraking van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. C.W.D. Bom,</emphasis>
      </para>
      <para>kantonrechter in de rechtbank Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbenden in deze zaak zijn:</para>
    </parablock>
    <para>1. De vennootschap onder firma [naam VOF] ,</para>
    <para>gevestigd te [vestigingsplaats]</para>
    <para>2. [belanghebbende sub 2] ,</para>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para>3. [belanghebbende sub 3] ,</para>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gemachtigde: mr. M.D. Winter.</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>De voorgeschiedenis en het procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De hoofdzaak betreft, samengevat weergegeven, een loonvordering. Ter zitting van de kantonrechter van 6 april 2018 heeft verzoekster de kantonrechter gewraakt. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 23 april 2018 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. De kantonrechter is eveneens verschenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van verzoekster</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan het wrakingsverzoek is - verkort en zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat de kantonrechter ter zitting een definitief oordeel over de hoofdzaak heeft gegeven door te stellen dat aan het verzoek een duidelijke grondslag ontbreekt. De kantonrechter heeft hierbij niet elke vordering los bezien, maar in één keer een definitief oordeel geveld over alle vorderingen. Hieruit blijkt volgens verzoekster dat de kantonrechter vooringenomen is. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van de gewraakte rechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kantonrechter berust niet in de wraking. De kantonrechter heeft toegelicht dat verzoekster in de hoofdzaak een zeer summier en nauwelijks onderbouwd verzoekschrift heeft ingediend. Ook de gemachtigde van verweerders heeft naar voren gebracht dat het verzoek in de hoofdzaak niet goed onderbouwd is, en verweerders hebben verweer gevoerd op alle punten. De kantonrechter stelt dat hij ter zitting een voorlopig oordeel heeft geveld over de grondslag van het verzoek. Van (de schijn van) vooringenomenheid is volgens de kantonrechter niet gebleken. 	</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>De kantonrechter heeft bij de behandeling van de hoofdzaak ter zitting aangegeven dat het verzoek wat hem betreft een duidelijke grondslag mist. Hij heeft aangegeven dat de inhoud en omvang van de arbeidsovereenkomst niet nader worden onderbouwd, zodat het lastig zal zijn te beoordelen of deze arbeidsovereenkomst door verweerders juist is uitgevoerd. Voorts heeft hij de vraag gesteld of het niet verstandiger zou zijn deze procedure in te trekken en desgewenst over te doen. Ter zitting bij de wrakingskamer heeft de kantonrechter toegelicht dat hij geen onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende vorderingen omdat ten aanzien van al deze vorderingen geldt dat een onderbouwing ontbreekt en dat hij dus niet weet waaraan hij de vorderingen moet toetsen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.4.</nr>
      <para>De wrakingskamer overweegt dat de kantonrechter kritische vragen heeft gesteld over de grondslag van de vordering, waarna hij zijn visie heeft gegeven op de zaak. De kantonrechter heeft deze visie weliswaar direct geformuleerd, maar uit de context blijkt dat sprake was van een voorlopig oordeel. De door verzoeker aangevoerde feiten en omstandigheden bieden derhalve geen grond voor het oordeel dat de kantonrechter vooringenomen is of de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>7</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- wijst het verzoek tot wraking af;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat het proces in de wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;</para>
    <para />
    <para>- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering/ wordt toegezonden aan: </para>
    <parablock>
      <para>		•	de verzoekster p/a haar gemachtigde mr. H. Uzumcu;</para>
      <para>•	verweerders in de hoofdzaak p/a hun gemachtigde mr. M.D. Winter;</para>
      <para>•	de kantonrechter mr. C.W.D. Bom;</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mrs O. van der Burg, P.M.E. Bernini en M. Nijenhuis, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Stikvoort-Ydema als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>