<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:3330</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-23T12:32:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-22</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/549117 / JE RK 18-468</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:3330">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:3330</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-05-23T12:31:52</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-05-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:3330 Rechtbank Den Haag , 12-03-2018 / C/09/549117 / JE RK 18-468</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:3330:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>afwijzing verzoek machtiging uithuisplaatsin</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:3330:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Jeugd &amp; Bopz</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaksgegevens: C/09/549117 / JE RK 18-468</para>
      <para>Datum uitspraak: 12 maart 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">Beschikking van de kinderrechter </bridgehead>
    <bridgehead role="bold">Afwijzing verzoek machtiging tot uithuisplaatsing</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak naar aanleiding van het op 5 maart 2018 ingekomen verzoekschrift van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland</emphasis> (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling),</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>betreffende: </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">- [minderjarige]</emphasis>, geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: [minderjarige]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de man]
    </bridgehead>
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: de vader, </para>
      <para>wonende te [woonplaats 1] </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [de vrouw] ,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: de moeder, </para>
      <para>wonende te [woonplaats 2] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Het procesverloop</title>
    <para>Bij beschikking van 5 maart 2018 van de kinderrechter in deze rechtbank is de spoedvoorziening om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder afgewezen. De behandeling van het verzoek is voor het overige aangehouden tot deze terechtzitting. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder thans ook:</para>
    </parablock>
    <para>- voornoemde beschikking van 5 maart 2018.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 12 maart 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij zijn verschenen:</para>
    </parablock>
    <para>- de heer [A] en mevrouw [B] , namens de gecertificeerde instelling;</para>
    <para>- de vader;</para>
    <para>- de moeder.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [minderjarige] is op 12 maart 2018 in raadkamer gehoord.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verzoek en verweer</title>
    <para>Het verzoek strekt tot machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling heeft, blijkens de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, het volgende aan het verzoek ten grondslag gelegd. De afgelopen maanden gaat het niet goed met [minderjarige] in het gezinshuis, waar zij sinds juli 2016 verblijft. Ze ligt dagen op bed, maakt een depressieve indruk en gaat onregelmatig naar school. [minderjarige] geeft aan zich lichamelijk niet in orde te voelen en heeft uitvalverschijnselen in haar ledematen. [minderjarige] ervaart geen klik met de gezinshuisouder en laat opstandig gedrag zien. Zij houdt zich minder goed aan de regels en wil het liefst zo min mogelijk in het gezinshuis zijn. [minderjarige] wil graag bij haar moeder wonen. De gecertificeerde instelling acht dit echter niet haalbaar en niet in het belang van [minderjarige] De gecertificeerde instelling heeft zorgen over de opvoedvaardigheden en draagkracht van de moeder en over de vraag in hoeverre de moeder [minderjarige] grenzen kan bieden die passen bij haar leeftijd en ontwikkeling. De moeder is toegeeflijk en [minderjarige] lijkt gewend alles zelf te bepalen. Daarnaast is het contact tussen [minderjarige] en de moeder nog pril en kwetsbaar; zij hebben pas sinds eind 2015 weer contact met elkaar. De relatie tussen de moeder en [minderjarige] zal onder druk komen te staan als [minderjarige] weer bij de moeder zal gaan wonen. [minderjarige] vraagt een bovengemiddelde opvoedbehoefte, waaraan de moeder niet kan voldoen. De gecertificeerde instelling acht daarom een plaatsing in een fasehuis (als voorbereiding op een kamertrainingscentrum) het meest passend voor [minderjarige] </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vader en de moeder hebben aangegeven dat zij het liefst zien dat [minderjarige] bij de moeder het gaat wonen, eventueel met ondersteuning vanuit Stek Jeugdhulp. De moeder staat voorts open voor hulpverlening voor [minderjarige] vanuit de GGZ. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para>De kinderrechter overweegt dat een voortzetting van het verblijf van [minderjarige] in het huidige gezinshuis niet langer in haar belang kan worden geacht. [minderjarige] ervaart geen klik met de gezinshuisouder en zij lijkt hier zowel mentaal als fysiek onder te lijden. De gecertificeerde instelling acht een uithuisplaatsing in een kamertrainingscentrum aangewezen, maar daar is vooralsnog geen plek. Thans ligt de vraag voor of het in het belang van [minderjarige] is om haar uit huis te plaatsen in een fasehuis zo lang er geen plek is in een kamertrainingscentrum óf om haar in te tussentijd bij de moeder te plaatsen. De kinderrechter overweegt dat [minderjarige] heeft aangegeven het fijn te hebben bij de moeder en sinds de plaatsing aldaar geen last meer te hebben van klachten. Bovendien staat [minderjarige] , die al zestien jaar oud is, niet achter een plaatsing in een fasehuis en daarna in een kamertrainingscentrum. De moeder heeft daarnaast ingestemd met opvoedondersteuning en individuele hulpverlening vanuit de GGZ voor [minderjarige] Onder deze omstandigheden acht de kinderrechter het niet in het belang van [minderjarige] om haar uit huis te plaatsen in een fasehuis zolang er geen plek is in een kamertrainingscentrum. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de in artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor uithuisplaatsing niet, althans onvoldoende aanwezig zijn. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De kinderrechter geeft de gecertificeerde instelling in overweging om de komende periode te gebruiken om te onderzoeken of het perspectief van [minderjarige] mogelijk bij de moeder ligt, bijvoorbeeld door het inzetten van intensieve opvoedondersteuning, zodat de opvoedvaardigheden van de moeder en de onderlinge verhouding tussen [minderjarige] en de moeder in kaart kunnen worden gebracht. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Derhalve zal als volgt worden beslist.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De kinderrechter:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>wijst af het verzoek tot machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven door mr. M. van Loenhoud, kinderrechter, in tegenwoordigheid van E.G. Nuboer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 maart 2018.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:  </para>
              <para>- door de verzoeker en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,</para>
              <para>- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. </para>
              <para>Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van </para>
              <para>het gerechtshof Den Haag. </para>
              <para />
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>