<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:2680</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-08T15:09:16</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-03-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/547372/ KG RK 18/151</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:2680">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:2680</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-03-08T13:30:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-03-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:2680 Rechtbank Den Haag , 05-03-2018 / C/09/547372/ KG RK 18/151</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:2680:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek niet tijdig, verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek. Tussen het ontvangen van de uitnodigingsbrief van de zitting, waarin staat vermeld dat de gewraakte rechter zitting heeft in de meervoudige kamer die de zaak van verzoekster behandelt, en het indienen van het wrakingsverzoek is ruim een maand verstreken. Die termijn is te lang om het verzoek nog te kunnen aanmerken als tijdig in de zin van artikel 37, eerste lid, Rv. De door de advocaat van verzoekster daarvoor gegeven verklaring (kerstvakantie en een af en toe moeizame communicatie tussen cliënte en advocaat) doet daaraan niet af. Het karakter van het instituut wraking, dat immers is bedoeld om onmiddellijk een gesignaleerde partijdigheid dan wel de schijn daarvan aan de orde te kunnen stellen, verdraagt zich niet met een dergelijke termijn.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:2680:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="e0b8f6cf-7d6e-4a8e-8192-009e77bf6e79" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="c43ee800-2156-4910-a201-9930ec23f477" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>beslissing</para>
    <bridgehead role="bold">WRAKINGSKAMER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Meervoudige wrakingskamer</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Wrakingnummer 2018/8</emphasis>
      </para>
      <para>zaak-/rekestnummer: C/09/547372/ KG RK 18/151</para>
      <para>rolnummer hoofdzaak: 538407/17-902 	</para>
      <para>datum beschikking: 5 maart 2018</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">BESLISSING</emphasis>
      </para>
      <para>op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), in de zaak van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster]
        </emphasis>,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] , </para>
      <para>gemachtigde: mr. S. Baggerman</para>
      <para>verzoekster, </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot wraking van:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. J.L.M. Luiten</emphasis>,</para>
      <para>rechter in de rechtbank Den Haag,</para>
      <para>hierna te noemen: de rechter.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbenden zijn:</para>
      <para>de naamloze vennootschap <emphasis role="bold">Delta Lloyd Schadeverzekering N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Den Haag, en </para>
      <para>de naamloze vennootschap <emphasis role="bold">ASR Schadeverzekering N.V.</emphasis>,</para>
      <para>gevestigd te Utrecht,</para>
      <para>gemachtigde: mr. P. Oskam, </para>
      <para>hierna te noemen: de belanghebbenden,</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <nr>1</nr>De voorgeschiedenis en het procesverloop</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Voorafgaand aan de hoofdzaak heeft een zogenoemd deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w Rv plaatsgevonden. In die procedure heeft ten overstaan van de rechter op 31 mei 2016 de mondelinge behandeling plaatsgevonden en heeft de rechter het verzoek bij uitspraak van 2 juli 2016 afgewezen. Tussen partijen is een bodemprocedure opgestart. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>De meervoudige comparitie van partijen staat gepland op 16 maart 2018 om 9:30 uur. Daarbij maakt de rechter deel uit van de meervoudige kamer die de bodemzaak zal behandelen. Verzoekster is bij brief van 27 december 2017 voor deze zitting uitgenodigd. In deze brief staat tevens vermeld welke rechters deel uitmaken van de meervoudige kamer.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Bij brief van 29 januari 2018 heeft de gemachtigde namens verzoekster verzocht de rechter te wraken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 19 februari 2018 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. Verzoekster heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door haar vader [vader] , bijgestaan door de gemachtigde. Namens de belanghebbenden is verschenen de gemachtigde mr. P. Oskam. De gewraakte rechter is, zoals vooraf aangekondigd, niet verschenen. Hij heeft zijn standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek schriftelijk kenbaar gemaakt.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Het standpunt van verzoekster</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft aan het wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter zich eerder in de deelgeschilprocedure inhoudelijk heeft uitgelaten over de zaak. Hij heeft op de zitting van 31 mei 2016 kenbaar gemaakt dat de vordering van verzoekster zal worden afgewezen, omdat volgens het beleid van de Haagse rechtbank in het geval van whiplashklachten in een letselschadezaak in beginsel slechts een duurschade van zeven jaar wordt toegewezen. Hiermee heeft de rechter duidelijk blijk gegeven van vooringenomenheid ten aanzien van de vordering van verzoekster. Die vordering is onderwerp van geschil in de onderhavige dagvaardigingsprocedure en als gevolg van die opmerking van de rechter heeft verzoekster geen vertrouwen in een onpartijdige en onafhankelijke beoordeling van deze zaak door deze rechter. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>Het standpunt van de gewraakte rechter</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechter berust niet in de wraking. Hij stelt zich primair op het standpunt dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan, nu de aangevoerde gronden hoofdzakelijk zien op zaken die verzoekster heeft ervaren tijdens de mondelinge behandeling van het deelgeschil op </para>
      <para>31 mei 2016. Voor zover verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek tot wraking, dient het verzoek ongegrond te worden verklaard. Het is beleid van de rechtbank Den Haag dat de rechter die het deelgeschil heeft behandeld ook zitting heeft in de meervoudige combinatie die de prodemprocedure behandelt. Ten aanzien van de mondelinge behandeling van het deelgeschil merkt de rechter op dat hij zich de exacte gang van zaken niet kan herinneren, maar dat hij zich wel kan herinneren dat hij destijds heeft gewezen op het beleid van de rechtbank Den Haag in whiplashzaken. Dat dit wijst op enige vorm van vooringenomenheid ten aanzien van verzoekster, ziet de rechter niet. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>5</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>5.1.</nr>
      <para>Uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of een wrakingsverzoek tijdig is gedaan is artikel 37, eerste lid, Rv, waarin het volgende is bepaald: <emphasis role="italic">“Het verzoek wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden.”</emphasis></para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Uit het verzoekschrift volgt dat verzoekster, als gevolg van de brief d.d. 27 december 2017 die haar advocaat van de rechtbank had ontvangen, er kort na 27 december 2017 mee bekend was dat de zaak ter comparitie van partij op 16 maart 2018 zal worden behandeld door de meervoudige kamer van deze rechtbank en dat de rechter deel uitmaakt van die kamer. Het wrakingsverzoek d.d. 29 januari 2018 is op 31 januari 2018 ter griffie van deze rechtbank ingekomen. Tussen de oproepingsbrief van 27 december 2018 en 31 (dan wel 29) januari 2018 is ruim een maand verstreken. Die termijn is te lang om het verzoek nog te kunnen aanmerken als tijdig in de zin van voormelde bepaling.  De door de advocaat van verzoekster daarvoor gegeven verklaring (kerstvakantie en een af en toe moeizame communicatie tussen cliënte en advocaat) doet daaraan niet af. Het karakter van het instituut wraking, dat immers is bedoeld om onmiddellijk een gesignaleerde partijdigheid dan wel de schijn daarvan aan de orde te kunnen stellen, verdraagt zich niet met een dergelijke termijn. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verzoekers niet in hun wrakingsverzoek kunnen worden ontvangen. Aan een inhoudelijke behandeling van het verzoek komt de wrakingskamer dan ook niet toe. </para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>6</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;</para>
    <para />
    <para>- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;</para>
    <para />
    <para>- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Rv wordt toegezonden aan:</para>
    <parablock>
      <para> de verzoekster, p/a mr. S. Baggerman</para>
      <para> de belanghebbenden, p/a mr. P. Oskam en</para>
      <para> de rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beslissing is gegeven door mr. G.P. Verbeek, voorzitter, en mr. R. Cats en </para>
      <para>mr. T.A. de Hek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Demoed-van Dongen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>