<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:16654</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-16T17:03:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:replaces rdfs:label="Vervangt">ECLI:NL:RBROT:2018:9811</dcterms:replaces>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-30</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL18.20520</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Rotterdam</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:16654">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:16654</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-07-16T16:50:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2025-07-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:16654 Rechtbank Den Haag , 30-11-2018 / NL18.20520</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:16654:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>AA, herhaalde asielaanvraag, rapport iMMO werpt geen ander licht op geloofwaardigheid asielrelaas, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:16654:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Rotterdam</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL18.20520, V-nummer: [nummer]</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiseres] , eiseres,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. T.R. Hüpscher),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 1 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 november 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen [naam 1] , tolk. Voorts is verschenen [naam 2] , de schoonzoon van eiseres. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1953 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. </para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Op 2 december 2015 heeft eiseres een asielaanvraag ingediend. Op 24 juni 2016 heeft de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht geoordeeld dat eiseres gehoord kan worden. Dat advies (het FMMU-advies) is opgesteld door een verpleegkundige en ondertekend door een arts. Eiseres is op 19 september 2016 (het eerste gehoor) en op 21 september 2016 (het nader gehoor) door verweerder gehoord. Bij besluit van 25 september 2016 heeft verweerder de asielaanvraag van 2 december 2015 afgewezen. Het daartegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 19 oktober 2016 ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder de door eiseres gestelde problemen met moslimmannen niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Deze uitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in hoger beroep bij uitspraak van 29 november 2016 bevestigd.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Op 7 maart 2018 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend. Ter ondersteuning van deze aanvraag heeft zij het rapport van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (het iMMO) van 9 februari 2018 (het iMMO-rapport) overgelegd. </para>
      <para />
      <para>2. Verweerder heeft de opvolgende aanvraag van eiseres op grond van artikel 31 van de Vw, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, als kennelijk ongegrond afgewezen.</para>
      <para />
      <para>3. Eiseres betoogt dat verweerder ten onrechte voorbij is gegaan aan de conclusies van het iMMO-rapport. Uit het rapport blijkt volgens eiseres dat haar medische problematiek al tijdens de gehoren in de eerste procedure afbreuk deed aan haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Daarnaast wordt in het rapport een oordeel gegeven over de lichamelijke klachten (littekens en fysieke klachten) en de psychische klachten die eiseres heeft. Verweerder had volgens eiseres nader medisch onderzoek moeten laten verrichten. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Volgens het iMMO-rapport heeft eiseres op haar lichaam verschillende littekens. Volgens het iMMO is een groot deel van deze littekens consistent met de gestelde mishandelingen en is één litteken daarmee niet consistent. Het iMMO heeft in zijn rapport geen uitspraak gedaan over de vraag in hoeverre de fysieke klachten van eiseres consistent zijn met haar asielrelaas. Het iMMO acht de psychische klachten typerend voor het asielrelaas van eiseres. Ook wordt geconcludeerd dat eiseres ten tijde van de asielgehoren psychische problemen had die zeker hebben geïnterfereerd met het vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <para>In de vorige procedure heeft deze rechtbank mede op grond van het FMMU-advies geoordeeld dat verweerder van de door eiseres afgelegde verklaringen tijdens het eerste en het nader gehoor heeft mogen uitgaan. Dat oordeel staat in rechte vast. De vraag is of verweerder op grond van het iMMO-rapport nu tot een andere conclusie moet komen.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <para>In het iMMO-rapport is gesteld dat de psychische problematiek van eiseres ten tijde van de gehoren zeker interfereerde met haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Volgens de Afdeling (vergelijk de uitspraken van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2084, -2085 en -2086) dient verweerder in dat geval een medisch deskundige te raadplegen als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan. Ten eerste dient in het iMMO-rapport de mate van waarschijnlijkheid dat de vreemdeling niet in staat was consistent te verklaren te worden vastgesteld. Verder moet uit het iMMO-rapport blijken op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om consistent en coherent te verklaren invloed kan hebben gehad. Voorts is vereist dat uit het rapport blijkt dat de conclusie omtrent het vermogen consistent te verklaren, niet mede is gebaseerd op de aanname dat de gebeurtenissen waardoor de vreemdeling stelt psychische problemen te hebben gekregen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Als verweerder geen medisch deskundige inschakelt en de in het iMMO-rapport neergelegde conclusie aldus niet bestrijdt, maar het relaas toch ongeloofwaardig acht, zal hij nader moeten motiveren waarom dit volgens hem het geval is.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.3.1.</nr>
        <para>Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit het iMMO-rapport niet blijkt op welke onderdelen van het asielrelaas de beperking van het vermogen om coherent en consistent te verklaren invloed kan hebben gehad. Evenmin blijkt uit het rapport hoe waarschijnlijk het is dat eiseres over die onderdelen van haar relaas niet consistent kon verklaren. Het iMMO-rapport is in deze opzichten onvoldoende concreet om aan te nemen dat eiseres over relevante onderdelen van haar asielrelaas in de vorige procedure niet goed heeft kunnen verklaren. In zoverre slaagt het beroep van eiseres op het iMMO-rapport niet.</para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4.</nr>
      <para>De Afdeling overweegt in haar uitspraken van 27 juni 2018 verder dat het toetsingskader dat is beschreven in de uitspraak van 25 augustus 2014, ECLI:NL:RVS:2014:600, onveranderd blijft. Indien een iMMO-rapport een sterke aanwijzing vormt dat de door een vreemdeling gestelde onmenselijke behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf het letsel heeft veroorzaakt, kan verweerder volgens de Afdeling ertoe gehouden zijn nader medisch onderzoek te laten verrichten. Daarbij is van belang hoe sterk de kwalificatie is die volgens het iMMO van toepassing is. Voor het ontstaan van de verplichting tot nader medisch onderzoek is niet vereist dat het iMMO-rapport geen ruimte laat voor een andere dan de door de vreemdeling gestelde oorzaak. Dat onderdelen van het asielrelaas ongeloofwaardig zijn, hoeft evenmin in de weg te staan aan het ontstaan van de verplichting tot medisch onderzoek.</para>
      <para />
      <paragroup>
        <nr>3.4.1.</nr>
        <para>Volgens het iMMO-rapport is een groot deel van de littekens van eiseres consistent met het asielrelaas. Dit betekent dat deze littekens kunnen zijn veroorzaakt door de gebeurtenissen beschreven door eiseres, maar dat er veel andere mogelijke oorzaken zijn. Eén litteken is beoordeeld als niet consistent met het asielrelaas, wat betekent dat het litteken niet kan zijn veroorzaakt door de gebeurtenis die eiseres heeft beschreven. De stelling van eiseres dat moslimmannen haar een brandwond hebben toegebracht met een sigaret wordt dan ook weersproken door het iMMO-rapport, wat niet in haar voordeel spreekt. Dit geldt niet voor een aantal andere littekens van eiseres, maar het gebruik van het woord consistent impliceert niet dat het (zeer) waarschijnlijk is dat het asielrelaas van eiseres wat betreft het ontstaan van die littekens op waarheid berust. Over een aantal andere littekens van eiseres kan het iMMO geen uitspraak doen.</para>
        <para />
        <para>4. In het iMMO-rapport is voorts geconcludeerd dat het litteken aan het perineum van eiseres ontstaan kan zijn door de gestelde verkrachting, maar ook door het inknippen van weefsel tijdens haar bevallingen en het daarna hechten van de wond. Deze conclusie van het iMMO komt overeen met de waarneming van de huisarts die door rechtbank is betrokken bij haar oordeel in de vorige asielprocedure. Op dit punt werpt het iMMO-rapport dus geen ander licht op de zaak.</para>
        <para />
        <para>5. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres met het iMMO-rapport niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar littekens zijn veroorzaakt door de gestelde mishandelingen door moslimmannen en dat haar asielrelaas in dit opzicht op waarheid berust. Ook in zoverre slaagt het beroep op het iMMO-rapport niet. </para>
        <para />
      </paragroup>
      <paragroup>
        <nr>5.1.1.</nr>
        <para>Uit het iMMO-rapport volgt verder dat de psychische klachten typerend zijn voor het asielrelaas van eiseres, wat inhoudt dat de geconstateerde verschijnselen meestal worden waargenomen bij de door eiseres gestelde mishandelingen, maar dat er ook andere oorzaken kunnen zijn. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat hiermee niet aannemelijk is gemaakt dat de psychische klachten van eiseres veroorzaakt zijn door de gestelde mishandelingen door moslimmannen, waarbij de rechtbank in aanmerking neemt dat de conclusies van het iMMO over de littekens van eiseres geen sterke aanwijzingen opleveren dat de door haar gestelde gebeurtenissen hebben plaatsgevonden. </para>
        <para />
      </paragroup>
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.2.</nr>
      <para>Nu het asielrelaas van eiseres tijdens de eerste procedure ongeloofwaardig is geacht, dit oordeel in rechte is komen vast te staan en eiseres met het overgelegde iMMO-rapport haar asielrelaas niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt, heeft verweerder niet ten onrechte vastgehouden aan zijn standpunt dat het asielrelaas van eiseres ongeloofwaardig is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>5.3.</nr>
      <para>Verweerder was niet gehouden nader medisch onderzoek te laten verrichten. Verweerder heeft ter zitting terecht opgemerkt dat hij – anders dan eiseres stelt – het iMMO-rapport niet weerspreekt, maar dat hij aan dat rapport andere conclusies verbindt dan eiseres. Gelet op het voorgaande is dat naar het oordeel van de rechtbank niet onterecht.</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>6. Ter zitting heeft de schoonzoon van eiseres betoogd dat eiseres niet naar Pakistan terug kan keren, omdat zij daar als christen gevaar loopt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>6.1.</nr>
      <para>Het betoog slaagt niet, aangezien eiseres niet met controleerbare informatie heeft onderbouwd dat alle christenen in Pakistan vervolgd worden en eiseres ook niet heeft onderbouwd waarom zij als christen vervolgd zal worden. Voor zover eiseres zich met de verwijzing naar de zaak [naam 3] beroept op het gelijkheidsbeginsel, slaagt dat beroep niet. Nog daargelaten dat [naam 3] geen asiel heeft aangevraagd, staat vast dat zij aanvankelijk ter dood is veroordeeld wegens belediging van de islam en meermalen ernstig is bedreigd. De situatie van eiseres is daarmee niet vergelijkbaar, ook omdat verweerder haar asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig acht.</para>
      <para />
      <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
      <para />
      <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.F. van Deyzen, griffier. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na de dag van bekendmaking. </para>
      <para />
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>