<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:14914</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-01-08T12:18:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-17</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-12</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL18.21109</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14914">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14914</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-17T09:22:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-01-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:14914 Rechtbank Den Haag , 12-12-2018 / NL18.21109</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:14914:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Denemarken</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:14914:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL18.21109 </para>
      <para>v-nummer: [nummer]</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [naam] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. drs. E.R. Weegenaar),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E. van Hoof).</para>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>
      <?linebreak?>Procesverloop <?linebreak?>Bij besluit van 9 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw<footnote-ref linkend="_690b2807-fd19-47e2-b230-24aa81921211" />, omdat Denenmarken verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. </title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.21110, plaatsgevonden op 12 december 2018 te Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>
      <?linebreak?>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Niet in geschil is dat Denenmarken primair verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Denenmarken heeft deze verantwoordelijkheid ook aanvaard. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft niet met documenten aangetoond of anderszins aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Denenmarken het Vluchtelingenverdrag, het EVRM<footnote-ref linkend="_de2c7bcc-d350-4fe3-9ed4-b14f91ee13e1" /> en de Europese richtlijnen voor asielzoekers<footnote-ref linkend="_502ad2fc-0195-482c-9ffa-940f2c284a5a" /> niet naleeft, en dat daarom ten aanzien van Denenmarken niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.</para>
    <para />
    <para>3. De door eiser gestelde medische klachten geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte niet aan zich heeft getrokken. Eiser heeft niet eens onderbouwd dat hij momenteel medische klachten heeft waarvoor hij moet worden behandeld. Verweerder mag er bovendien van uitgaan dat de medische voorzieningen in Denenmarken vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zijn medische situatie aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren door de overdracht zelf.</para>
    <para />
    <para>4. Verweerder werpt eiser niet ten onrechte tegen dat hij zich bij voorkomende problemen in Denemarken kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) Deense autoriteiten dan wel geëigende instanties, en dat niet is gebleken dat deze hem niet zouden kunnen of willen helpen. Eisers enkele stelling dat klagen in Denemarken over het ontbreken van medische zorg eerder niet leidde tot verbetering, slaagt niet. Eiser heeft ook deze stelling niet onderbouwd. </para>
    <para />
    <para>5. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 17 van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_65b2a854-20ca-41ad-a2ce-0066f2717570" /> overweegt de rechtbank dat aan verweerder beoordelings- en beleidsruimte toekomt bij de vraag of sprake is van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat overdracht van kennelijke hardheid getuigt. De door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder dat aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de humanitaire clausule. </para>
    <para />
    <para>6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 12 december 2018.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_690b2807-fd19-47e2-b230-24aa81921211" label="1">
    <para> Vreemdelingenwet 2000.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_de2c7bcc-d350-4fe3-9ed4-b14f91ee13e1" label="2">
    <para> Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_502ad2fc-0195-482c-9ffa-940f2c284a5a" label="3">
    <para> Richtlijn 2013/33/EU, Richtlijn 2011/95/EU en Richtlijn 2013/32/EU.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_65b2a854-20ca-41ad-a2ce-0066f2717570" label="4">
    <para> Verordening 604/2013/EU.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>