<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:14763</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-18T15:31:56</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-12-05</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 17/16134</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Middelburg</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14763">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14763</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-13T10:20:38</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-18</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:14763 Rechtbank Den Haag , 05-12-2018 / AWB 17/16134</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:14763:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Eritrea, mvv-nareis echtgenoot, identiteit niet aangetoond, geen bewijsnood, beroep ongegrond</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:14763:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: AWB 17/16134 </para>
      <para>V-nummer: [nummer] </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2018 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [naam] , eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. F.A. van den Berg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 13 november 2017 (het bestreden besluit) over de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor nareis asiel.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2018. Eiser is verschenen bij gemachtigde. Verweerder is niet verschenen. De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 29 januari 2016 heeft [naam 2] , referent en gestelde echtgenote van eiser, namens hem een aanvraag ingediend om afgifte van een mvv in het kader van nareis. Op 28 december 2016 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.</para>
    <para />
    <para>2. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard.</para>
    <para>Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiser zijn identiteit en de familierechtelijke relatie met referent niet heeft aangetoond. Eiser heeft geen identificerend document overgelegd. Verweerder volgt niet de verklaring die hij hiervoor heeft gegeven. Eiser verkeert volgens verweerder niet in bewijsnood ter zake van het overleggen van een identificerend document. De als indicatief bewijs overgelegde tijdelijke verblijfsvergunning voor Israël en de kerkelijke huwelijksakte maken de identiteit van eiser niet aannemelijk. Er is daarom geen aanleiding om nader onderzoek in te stellen.</para>
    <para />
    <para>3. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Op grond van het van toepassing zijnde beleid diende eiser een geldig document voor grensoverschrijding dat zijn identiteit aantoont te overleggen. De Gezinsherenigingsrichtlijn<footnote-ref linkend="_2b896b8a-dad3-4aab-a996-b1947bc51f19" /> stelt dat er reisdocumenten dienen te worden overgelegd. Eiser heeft echter nooit een paspoort gehad. Een identiteitskaart is geen geldig document voor grensoverschrijding noch een reisdocument. Eiser meent dat hij een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het ontbreken van een Eritrese identiteitskaart. Hij stelt dat hij thans niet meer in het bezit kan komen van identiteitsdocumenten. Verweerder heeft dan ook gehandeld in strijd met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.  </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank oordeelt als volgt.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>4. Sinds november 2017<footnote-ref linkend="_e1bdbcba-8966-4e10-ace4-2e0d2b29d4aa" /> hanteert verweerder een nieuw beoordelingskader voor nareisaanvragen. In de uitspraak van 16 mei 2018<footnote-ref linkend="_50997f7a-49aa-4290-9240-8168bf3a13e0" /> heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat dit kader in overeenstemming is met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.</para>
    <parablock>
      <para>Een vreemdeling moet zowel de gestelde familierelatie met de desbetreffende referent als zijn identiteit aantonen met officiële documenten. De eis om een identiteitskaart in plaats van een paspoort te overleggen is een tegemoetkoming in de bewijslast. </para>
      <para>Indien een vreemdeling stelt dat hij geen officiële documenten kan overleggen, moet hij dit aannemelijk maken. Als die vreemdeling dit aannemelijk heeft gemaakt, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling en kan hij aanvullend onderzoek aanbieden. Als die vreemdeling dit niet aannemelijk heeft gemaakt maar wel één of meer onofficiële documenten heeft overgelegd, betrekt verweerder deze onofficiële documenten bij zijn beoordeling. Deze documenten kunnen verweerder aanleiding geven om de desbetreffende vreemdeling aanvullend onderzoek aan te bieden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Vaststaat dat eiser geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd die zijn identiteit kunnen aantonen. Op grond van algemeen bekende informatie over Eritrea<footnote-ref linkend="_1e9cafd7-73a0-4f2c-a2f9-a025b3ae2e81" /> mag worden verwacht dat personen vanaf achttien jaar in het bezit zijn van een identiteitskaart.  Identiteitskaarten zijn voor allerlei bureaucratische procedures nodig<footnote-ref linkend="_97afd954-e527-4837-805f-9dbfd172e128" />. Terecht heeft verweerder erop gewezen dat eiser in 2011 toen hij Eritrea heeft verlaten, in het bezit van een identiteitskaart had kunnen zijn. De verklaring van eiser dat hij geen identiteitskaart nodig had omdat deze voor iedereen die vóór februari 2014 achttien jaar is geworden niet wettelijk verplicht was, heeft verweerder terecht onvoldoende geacht. Daarmee heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt hoe hij zich vanaf zijn achttienjarige leeftijd, die hij in 2004 bereikte, tot aan zijn vertrek uit Eritrea in 2011 zonder identificerend document heeft kunnen handhaven.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert voor wat betreft het overleggen van officiële identiteitsdocumenten. </para>
    <para />
    <para>7. Verder heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat de door eiser overgelegde </para>
    <parablock>
      <para>tijdelijke verblijfsvergunning voor Israël geen substantieel bewijs van zijn identiteit oplevert, omdat dit document alleen vermeld dat eiser daar tijdelijk mag verblijven</para>
      <para>en niet duidelijk is op welke informatiebron de daarop vermelde gegevens zijn gebaseerd. </para>
      <para>De kerkelijke huwelijksakte levert evenmin substantieel bewijs van eisers identiteit op, omdat dit geen officieel door de Eritrese overheid afgegeven document is en niet dient ter identificatie.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>8. Gelet op het voorgaande faalt het beroep van eiser op artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Van een situatie dat eiser niet in staat is om officiële documenten over te leggen is immers geen sprake. Daarnaast staat vast dat verweerder de overig beschikbare bewijsmiddelen heeft betrokken in zijn beoordeling.</para>
    <para />
    <para>9. Nu verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser zijn identiteit niet heeft aangetoond, is de aanvraag terecht afgewezen. De gestelde gezinsband met referent behoeft om die reden geen bespreking.</para>
    <para />
    <para>10. Namens eiser is ten slotte aangevoerd dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Van het horen mag alleen met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht worden afgezien, als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiser daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, mede bezien in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, is naar het oordeel van de rechtbank aan deze maatstaf voldaan.</para>
    <para />
    <para>11. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <footnote id="_2b896b8a-dad3-4aab-a996-b1947bc51f19" label="1">
    <para> Richtlijn 2003/86/EG </para>
  </footnote>
  <footnote id="_e1bdbcba-8966-4e10-ace4-2e0d2b29d4aa" label="2">
    <para> WBV 2017/14, Stcrt. 2017, nr. 70919 en de brief van verweerder van 23 november 2017 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van de Staten-Generaal (Kamerstukken II 2017/18, 19 637, nr. 2354)  </para>
  </footnote>
  <footnote id="_50997f7a-49aa-4290-9240-8168bf3a13e0" label="3">
    <para> ECLI:NL:RVS:2018:1508</para>
  </footnote>
  <footnote id="_1e9cafd7-73a0-4f2c-a2f9-a025b3ae2e81" label="4">
    <para> Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Eritrea van februari 2017</para>
  </footnote>
  <footnote id="_97afd954-e527-4837-805f-9dbfd172e128" label="5">
    <para> Algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Eritrea van juli 2015</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>