<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:14206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-03T10:23:07</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-11-15</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">18.19444 en 18.19445</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14206">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:14206</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-12-03T10:20:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-12-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:14206 Rechtbank Den Haag , 15-11-2018 / 18.19444 en 18.19445</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:14206:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Dublin Italie, mondelinge uitspraak, decreet, beroep gegrond:</para>
        <para>verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat in Italië geen sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:14206:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Amsterdam</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: NL18.19444 (beroep) en NL18.19445 (voorlopige voorziening)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>V-nummer: [vreemdelingennummer] </para>
      <para>
        <?linebreak?>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser en verzoeker, hierna eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. M. Woudwijk),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: S. de Vita).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 19 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de rechtsgevolgen van het bestreden besluit op te schorten totdat op het beroep is beslist. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.19445, plaatsgevonden op 15 november 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen B.J. Kane. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de zaak NL18.19444</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in de zaak NL18.19445</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="italic">in beide zaken</emphasis>:</para>
    </parablock>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503,-.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser is van Gambiaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .</para>
    <para />
    <para>3. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening<footnote-ref linkend="_e4000dbc-17d2-4dcf-a41b-43b3189037b3" /> is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Italië een verzoek om terugname gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.</para>
    <para />
    <para>4. Eiser voert aan dat in Italië de detentie- en leefomstandigheden waaraan hij zal worden blootgesteld en de kwaliteit van de asielprocedure in strijd met de artikelen 3 en 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn. Hij wijst ter onderbouwing hiervan op jurisprudentie onder andere van deze rechtbank en zittingsplaats. </para>
    <para />
    <para>5. De rechtbank overweegt als volgt. Italië is lid van de Europese Unie en volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 10 oktober 2018,<footnote-ref linkend="_13b9bd09-e89d-422c-bae1-a6a289e517d6" /> mag verweerder in zijn algemeenheid ten opzichte van Italië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Italië moet net als alle andere landen in de Europese Unie normaal en adequate opvang bieden aan asielzoekers. Nederland mag er in beginsel vanuit gaan dat dat ook gebeurt. Er zijn veel signalen dat in Italië een rechtse wind waait en dat er een anti-migratiesfeer heerst. Maar vooralsnog vindt de Afdeling, gelet op voornoemde recente uitspraak, dat in Italië geen systematische tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen zijn.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft gewezen op een wetsdecreet dat op 5 oktober 2018 is ingegaan. Dat decreet beperkt de toegang tot de zogenoemde SPRAR-opvanglocaties die opvang bieden aan gezinnen met minderjarige kinderen en andere kwetsbare asielzoekers. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 18 oktober 2018 oordeelt de rechtbank dat het beperken van de toegang tot de SPRAR-opvanglocaties ook gevolgen kan hebben voor de opvangvoorzieningen waar andere niet-kwetsbare asielzoekers worden opgevangen, de zogenaamde CAS-opvanglocaties. Uit diverse recente rapporten blijkt dat deze CAS-opvanglocaties al behoorlijk onder druk staan. Het standpunt van verweerder dat het decreet geen gevolgen heeft voor eiser omdat hij als alleenstaande man toch niet in een SPRAR-opvanglocatie terecht zal komen, volgt de rechtbank dan ook niet. Het decreet is inmiddels door de Italiaanse senaat bevestigd en dat maakt het oordeel van de rechtbank anders dan in de door verweerder aangehaalde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 oktober 2018 in de zaak NL18.17400. Naar het oordeel van de rechtbank moet verweerder motiveren en wellicht in dat kader ook onderzoeken wat de bredere gevolgen zijn die het beperken van de opvang in de SPRAR-opvanglocaties kan hebben voor de opvangvoorzieningen in Italië in het algemeen. </para>
    <para />
    <para>7. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat in Italië geen sprake is van ernstige structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Omdat het beroep reeds hierom gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding zich uit te laten over de vraag of eiser medisch kwetsbaar is danwel de beroepsgronden ten aanzien van het arrest van het Europees Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) van 4 november 2014, inzake Tarakhel tegen Zwitserland,<footnote-ref linkend="_c2f6da2d-e720-4905-b7d2-93bc54033745" /> te bespreken. </para>
    <para />
    <para>8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken.</para>
    <para />
    <para>9. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.</para>
    <para />
    <para>10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.</para>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>mr. M.A. Knikkink, griffier		mr. A.K. Mireku, (voorzieningen)rechter </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para />
      <para>
        <emphasis role="bold">Rechtsmiddel</emphasis>
      </para>
      <para>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_e4000dbc-17d2-4dcf-a41b-43b3189037b3" label="1">
    <para> Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_13b9bd09-e89d-422c-bae1-a6a289e517d6" label="2">
    <para> ECLI:NL:RVS:2018:3246.</para>
  </footnote>
  <footnote id="_c2f6da2d-e720-4905-b7d2-93bc54033745" label="3">
    <para>ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>