<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:13811</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2023-06-06T10:05:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">7117181 EJ VERZ 18-73090</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#beschikking">Beschikking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>ERF-Updates.nl 2018-0219</rdf:li>
          <rdf:li>Jurisprudentie Erfrecht 2018/423</rdf:li>
          <rdf:li>Jurisprudentie Erfrecht 2021/423</rdf:li>
          <rdf:li>JERF Actueel 2018/423</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13811">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13811</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-22T10:26:40</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-21</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:13811 Rechtbank Den Haag , 18-09-2018 / 7117181 EJ VERZ 18-73090</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:13811:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Artikel 5 Rv - rechter verklaart zich onbevoegd</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:13811:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>beschikking</para>
  <mediaobject>
    <imageobject>
      <imagedata align="center" scale="100" fileref="796b0e63-f707-41b9-83ba-6f7836878582" depth="1" width="518" format="image/png" />
    </imageobject>
  </mediaobject>
  <section>
    <title>RECHTBANK  DEN HAAG</title>
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats 's-Gravenhage BG</para>
      <para>Zaaknr.: 7117181 EJ VERZ 18-73090</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beschikking  van de kantonrechter  op het verzoek van:</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [verzoeker 1]
    </title>
    <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en  I</para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      [verzoeker 2] ,</title>
    <parablock>
      <para>wonende te [woonplaats]</para>
      <para> ,</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Op [datum] 2017 is te [woonplaats]  overleden <emphasis role="bold">[erflater] ,</emphasis></para>
    <para>laatst gewoond  hebbend  te [woonplaats] .</para>
    <para />
    <para>2. Op 2 augustus 2018 is op de griffie een verzoekschrift ingediend. Het verzoek strekt ertoe verzoekers in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008, wonende en verblijvende te [woonplaats] .</para>
      <para>machtiging te verlenen om namens de minderjarige de nalatenschap van <emphasis role="bold">[erflater] </emphasis>te verwerpen.	1	1 1</para>
    </parablock>
    <para>3. Gelet op de omstandigheid dat de minderjarige hun gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft, dient de kantonrechter vast te stellen of hem rechtsmacht toekomt.</para>
    <para />
    <para>4. Op grond van het bepaalde in artikel 5 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht indien het kind hun gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Dat is hier niet het geval. Ook is de Nederlandse rechter bevoegd als sprake is van een uitzonderlijk geval, waarbij de Nederlandse rechter zich wegens de verbondenheid van de zaak met de Nederlandse rechtssfeer van Nederland in staat acht het belang van het kind naar behoren te beoordelen.</para>
    <para />
    <para>5. Verzoeker heeft zich desgevraagd bij brief van 28 augustus 2018 uitgelaten over de vraag of van een in artikel 5 Rv bedoeld uitzonderlijk geval sprake is. De kantonrechter is  op basis van hetgeen naar voren is gebracht niet gebleken dat zich hier een dergelijk uitzonderlijk  geval voordoet en zal zich daarom  onbevoegd verklar.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <mediaobject>
      <imageobject>
        <imagedata align="center" scale="100" fileref="057f327f-cd80-4e5f-9da9-544de201b5b8" depth="1" width="520" format="image/png" />
      </imageobject>
    </mediaobject>
    <para>6. Redengevend voor het oordeel dat geen sprake is van voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer is dat het bij de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitsluitend gaat om de beoordeling van de vraag of de minderjarigen voldoende band met Nederland  hebben. Het enkele feit dat zij de Nederlandse nationaliteit  bezitten is daarvoor onvoldoende. Dat, zoals in de brief van 28 augustus 20] 8 wordt aangegeven, de nalatenschap in Nederland wordt afgewikkeld mag zo zijn, maar dat zegt alleen iets over de verbondenheid van de nalatenschap met Nederland. maar niet iets over de verbondenheid van de minderjarigen  met Nederland.</para>
    <para />
    <para>7. Dat het voor de wettelijke vertegenwoordigers niet mogelijk is vanuit Indonesië de verwerping van de nalatenschap te regelen kan er op zichzelf genomen geen grond voor zijn dat (dan maar) de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Bovendien dient als uitgangspunt genomen te worden dat naar Indonesisch recht beoordeeld moet worden in hoeverre een rechterlijke machtiging tot verwerping van een nalatenschap ten behoeve van minderjarigen vereist is, en alleen indien dat het geval is zal de Indonesische rechter zich daarover moeten uitlaten.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <para>- verklaart zich onbevoegd om op het verzoekschrift te beslissen.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze beschikking is gegeven door mr. C.W.D. Bom, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 201 8.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegen deze beslissing kan door indiening van een beroepschrift (door een advocaat) ter griffie van het  Gerechtshof  Den Haag hoger  beroep worden ingesteld:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>a. door de verzoeker en door de in de procedure verschenen belanghebbenden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.</para>
    <para />
    <para>door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>