<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:13139</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-10-20T08:12:43</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-05</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-09-19</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C-09-552985-HA ZA 18-543</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:relation rdfs:label="Formele relatie" ecli:resourceIdentifier="ECLI:NL:GHDHA:2020:2002" psi:type="http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep" psi:aanleg="http://psi.rechtspraak.nl/latereAanleg" psi:gevolg="http://psi.rechtspraak.nl/gevolg#bekrachtiging/bevestiging">Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2020:2002, Bekrachtiging/bevestiging</dcterms:relation>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13139">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:13139</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-11-06T13:16:09</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-11-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:13139 Rechtbank Den Haag , 19-09-2018 / C-09-552985-HA ZA 18-543</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:13139:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Afwijzen verzoek om pleidooi na een akte niet dienen voor het nemen van een conclusie van antwoord. Het recht om voor antwoord te concluderen is ingevolge artikel 133 lid 4 Rv vervallen en het recht verweer te voeren is op grond van artikel 128 lid 3 Rv vervallen, nu niet ten principale is geantwoord. Gedaagde beoogt volgens zijn toelichting het nalaten tijdig voor antwoord te concluderen te ‘repareren’. Ingeval van toewijzing van dit verzoek wordt de in artikel 128 lid 3 Rv neergelegde regel van verval van recht van een gedaagde om zich tegen een vordering te verweren indien niet tijdig voor antwoord wordt geconcludeerd, feitelijk ter zijde gesteld.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:13139:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <para>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="29cff1c3-7070-458f-9e05-61dd842e2997" depth="2" width="13" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>
      <inlinemediaobject>
        <imageobject>
          <imagedata align="center" scale="100" fileref="90e1876d-ee20-4f89-895d-2ca19efd8313" depth="2" width="523" format="image/png" />
        </imageobject>
      </inlinemediaobject>vonnis</para>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Team Handel</para>
      <para>zaaknummer / rolnummer: C/09/552985 / HA ZA 18-543</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van 19 september 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de stichting</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">STICHTING SCHADEREGELINGSKANTOOR VOOR RECHTSBIJSTANDVERZEKERING,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd te Zoetermeer,</para>
      <para>eiseres, </para>
      <para>advocaat: mr. F.R.A. Schaaf,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde, </para>
      <para>advocaat: mr. L.C. Blok. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>1</nr>Het verzoek en de beoordeling daarvan</title>
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <para>Namens gedaagde is op 15 augustus 2018 pleidooi gevraagd. Dit verzoek is onderbouwd door te wijzen op de omvang van de dagvaarding en niet nader geduide persoonlijke omstandigheden van gedaagde, die eraan in de weg zouden hebben gestaan om voor antwoord te concluderen. Het verzoek vermeldt voorts “<emphasis role="italic">belang van cliënt is echter zo groot dat, nu de wederpartij niet om een uitstel accoord gaat, pleidooi gevraagd moet worden.</emphasis>”  Eiseres maakte bezwaar tegen toewijzing van dit verzoek.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <para>Voordat de rechter over de zaak beslist, wordt aan partijen desverlangd gelegenheid geboden voor pleidooien (art. 134 Rv). Het recht om het standpunt mondeling te bepleiten vloeit ook voort uit artikel 6 EVRM. Dit een en ander brengt met zich mee dat een verzoek om de zaak te mogen bepleiten slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mag worden afgewezen. Daartoe is noodzakelijk dat van de zijde van de wederpartij tegen toewijzing van het verzoek klemmende redenen worden aangevoerd of dat toewijzing van het verzoek strijdig zou zijn met de eisen van een goede procesorde. Verg. onder meer HR 2 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7596, HR 27 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7254 en meer recent HR 15 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3151.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.3.</nr>
      <para>Op de rol van 1 augustus 2018 is aan gedaagde een akte van niet-dienen verleend, omdat hij niet op de daarvoor bepaalde roldatum voor antwoord heeft geconcludeerd. Omdat gedaagde niet tijdig voor antwoord heeft geconcludeerd, is zijn recht om deze proceshandeling te verrichten ingevolge artikel 133 lid 4 Rv vervallen. Uit de toelichting van gedaagde op zijn verzoek om pleidooi blijkt dat hij zich alsnog mondeling tegen de vorderingen wenst te verweren. Op grond van artikel 128 lid 3 Rv was zijn recht daartoe echter reeds voordat hij om pleidooi vroeg vervallen, nu hij niet ten principale heeft geantwoord. Het verzoek om pleidooi strekt kennelijk ertoe om de akte van niet-dienen voor het nemen van de conclusie van antwoord te ‘repareren’. Ingeval van toewijzing van dit verzoek wordt de in artikel 128 lid 3 Rv neergelegde regel van verval van recht van een gedaagde om zich tegen een vordering te verweren indien niet tijdig voor antwoord wordt geconcludeerd, echter feitelijk ter zijde gesteld. Dat is in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het verzoek wordt daarom afgewezen.</para>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>2</nr>De beslissing</title>
    <para>De rolrechter </para>
    <para />
    <para>- wijst het namens gedaagde gedane verzoek om pleidooi af;</para>
    <para />
    <para>- verwijst de zaak naar de rol van 31 oktober 2018 voor het wijzen van vonnis.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. L Alwin en in het openbaar uitgesproken op 19 september 2018.<footnote-ref linkend="_b3654299-9f52-4199-8a7d-1c0731cdbdc9" /></para>
    </parablock>
  </section>
  <footnote id="_b3654299-9f52-4199-8a7d-1c0731cdbdc9" label="1">
    <para>type: </para>
    <para>coll:</para>
  </footnote>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>