<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2018:12842</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-30T14:21:00</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2018-10-29</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/560421 / KG RK 18-1346</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#wraking">Wraking</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12842">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:12842</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-10-30T14:19:51</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-10-30</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2018:12842 Rechtbank Den Haag , 29-10-2018 / C/09/560421 / KG RK 18-1346</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2018:12842:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Wrakingsverzoek afgewezen. Geen schijn van partijdigheid af te leiden uit de door de kantonrechter gebezigde woorden, mede gezien de stand van zaken van de zitting als ook de actieve rol van de rechter in dergelijke zaken, waarbij gezocht wordt naar een oplossing tussen partijen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2018:12842:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank den haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaak- /rekestnummer: C/09/560421 / KG RK 18/1346</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Beslissing van 29 oktober 2018</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van </para>
      <para>in de zaak van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verzoekster] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [plaats] ,</para>
      <para>hierna te noemen: verzoekster,</para>
      <para>gemachtigde mr. L.S. van Dis te De Bilt,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>strekkende tot de wraking van</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">mr. J.L.M. Luiten</emphasis>, </para>
      <para>rechter in deze rechtbank,</para>
      <para>hierna te noemen: de rechter. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Belanghebbende in deze procedure is:</para>
      <para>
        <emphasis role="bold">SQL Integrator</emphasis>, </para>
      <para>Gevestigd te Leerdam, kantoorhoudende te Rijswijk,</para>
      <para>wettelijk vertegenwoordiger [wettelijk vertegenwoordiger] ,</para>
      <para>hierna te noemen: belanghebbende,</para>
      <para>gemachtigde [gemachtigde] .</para>
    </parablock>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>De procedure</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1.</nr>
      <parablock>
        <para>Het verloop van de procedure blijkt uit:</para>
        <para>- 	het proces-verbaal van 19 september 2018 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld;</para>
        <para>-	de schriftelijke reactie van de rechter van 8 oktober 2018.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2.</nr>
      <parablock>
        <para>Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:</para>
        <para>-	verzoekster, bijgestaan door haar raadsman mr. L.S. van Dis, advocaat te </para>
        <para>De Bilt;</para>
        <para>-	de rechter;</para>
        <para>-	de belanghebbende, vertegenwoordigd door [wettelijk vertegenwoordiger] en de gemachtigde </para>
        <para>
          [gemachtigde] . </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Het wrakingsverzoek</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1.</nr>
      <para>Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer 6804969 RL EXPL 18-7160 tussen verzoekster en de belanghebbende.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2.</nr>
      <para>Verzoekster heeft blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, zoals toegelicht bij de mondelinge behandeling, het volgende aan haar verzoek ten grondslag gelegd. Door de rechter is opgemerkt dat bij de beantwoording van de vraag of verzoekster al dan niet gewerkt heeft bij DICTU, het <emphasis role="italic">sowieso</emphasis> aan zal komen op een getuigenverhoor. Uit deze opmerking heeft verzoekster geconcludeerd dat daarmee door de rechter reeds een inhoudelijk oordeel ten nadele van haar is gegeven over de rechtsgeldigheid van het concurrentiebeding. Voorts heeft de rechter de door verzoekster overgelegde factuur als niet geloofwaardig bestempeld, waaruit zijn vooringenomenheid blijkt. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3.</nr>
      <para>De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>3</nr>De beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1.</nr>
      <para>Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2.</nr>
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer stelt aan de hand van het proces-verbaal van de zitting van </para>
        <para>19 september 2018 vast dat in de partijdiscussie niet gesproken is over het concurrentiebeding. Door de rechter is in zijn schriftelijke reactie en ter zitting van de wrakingskamer verduidelijkt dat zijn opmerking dat het <emphasis role="italic">sowieso</emphasis> op een getuigenverhoor aankomt specifiek ziet op de vraag of kan worden vastgesteld dat verzoekster voor DICTU heeft gewerkt. De rechter was voornemens daarna het concurrentiebeding met partijen te bespreken, maar voordat hieraan op de zitting toegekomen kon worden, is hij door verzoekster gewraakt. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3.</nr>
      <parablock>
        <para>De wrakingskamer is van oordeel dat enkel uit de bewoordingen zoals hiervoor weergegeven in deze stand van zaken van de zitting door verzoekster geen geslaagd beroep kan worden gedaan op de gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter. </para>
        <para>Voorts is de wrakingskamer van oordeel dat enkel op grond van de kwalificatie ‘ongeloofwaardig’ evenmin een gerechtvaardigde vrees bij verzoekster kan zijn ontstaan dat de kantonrechter partijdig of vooringenomen zou zijn. Immers is voor de rechter in dergelijke zaken waarbij gezocht wordt naar een oplossing tussen partijen bij uitstek een actieve rol vereist. Hier hoort bij dat hij op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting zijn (voorlopig) oordeel kan geven, waardoor partijen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten nader te onderbouwen en bepleiten. Ook zorgt dit ervoor dat het rechterlijk oordeel niet als een verrassing komt. In het onderhavige geval heeft de kantonrechter de uitspraak over de ongeloofwaardigheid gedaan nadat hierover in de stukken en op de zitting het partijdebat was gevoerd. Een (schijn van) vooringenomenheid of partijdigheid kan uit deze opmerking dan ook niet worden afgeleid.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>4</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De wrakingskamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1.</nr>
      <para>wijst het verzoek tot wraking af;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2.</nr>
      <para>bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3.</nr>
      <parablock>
        <para>beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering/ wordt toegezonden aan: </para>
        <para>		•	de verzoekster p/a haar gemachtigde mr. L.S. van Dis;</para>
        <para>•		verweerder in de hoofdzaak;</para>
        <para>•	de rechter.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Deze beslissing is gegeven door de mrs. Y.J. Wijnnobel-van Erp, M. Nijenhuis en </para>
        <para>A.C. Olland in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Demoed-van Dongen en in openbaar uitgesproken op 29 oktober 2018. </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>de griffier 							de voorzitter </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open. </para>
      </parablock>
    </paragroup>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>