<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:83</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-22T19:42:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-04</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-03</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 16 _ 9642</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:83">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:83</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2019-02-19T14:01:22</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2019-02-19</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:83 Rechtbank Den Haag , 03-01-2017 / AWB - 16 _ 9642</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:83:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>afwijzing verzoeken om voorlopige voorziening; geen spoedeisend belang</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:83:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: SGR  16/9642, 16/9644 en 16/9645</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 januari 2017 op de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoekster], te [plaats], verzoekster</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G. Bloem),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. G.E. Eind).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 4 april 2016 (primair besluit I) heeft verweerder de aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling) van verzoekster over de periode van <?linebreak?>1 november 2015 tot en met 31 maart 2016 herzien.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 17 juni 2016 (primair besluit II) heeft verweerder de AIO-aanvulling van verzoekster per 13 juni 2016 geschorst.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 20 juli 2016 (primair besluit III) heeft verweerder de AIO-aanvulling van verzoekster per 13 juni 2016 beëindigd (lees: ingetrokken).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij afzonderlijke besluiten van 24 oktober 2016 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van verzoekster ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verzoekster heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 januari 2017. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en haar kleindochter. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.</para>
    <para />
    <para>2. Gelet op het bepaalde in artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), is voor het treffen van een voorlopige voorziening slechts plaats indien sterke twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit en een zwaarwegend spoedeisend belang maakt dat het voor verzoekster onevenredig bezwaarlijk zou zijn de beslissing in de hoofdzaak – in dit geval het beroep – te moeten afwachten. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. </para>
    <para />
    <para>3. In het kader van het spoedeisend belang heeft verzoekster naar voren gebracht dat de omstandigheid dat zij het in Nederland bestaande minimuminkomen niet meer ontvangt, spoedeisendheid met zich brengt. Zij is voor haar levensonderhoud afhankelijk van haar dochter en kleindochter. Bovendien is verzoekster ziek waardoor zij extra kosten moet maken.</para>
    <para />
    <para>4. Bij brief van 30 december 2016 heeft de voorzieningenrechter verzoekster verzocht het spoedeisend belang nader te onderbouwen. Verzoekster heeft evenwel geen stukken overgelegd, zoals aanmaningen, beslagen, afschriften van bankrekeningen dan wel een huuropzegging of een aangekondigde huisuitzetting. Evenmin heeft zij informatie inzake haar gestelde slechte gezondheidssituatie verstrekt.</para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter ziet in de enkele stelling van verzoekster dat zij thans niet meer over het minimuminkomen beschikt onvoldoende belang gelegen voor het oordeel dat van verzoekster niet kan worden gevergd de beslissing in de beroepsprocedure af te wachten. Dat zij in een acute financiële noodsituatie verkeert, heeft verzoekster op geen enkele wijze middels stukken onderbouwd. Niet is gebleken dat het gestelde ontbreken van een minimuminkomen binnen de periode waarin op de beroepschriften zal worden beslist, zal gaan leiden tot incassoprocedures, afsluiting van energievoorzieningen, uithuiszetting, broodnood dan wel anderszins een levensbedreigende situatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht om een spoedeisend belang als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb aanwezig te achten.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S.N. Geerlings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						voorzieningenrechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>