<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:7216</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-03T15:18:15</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-05-04</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 16/21087</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Haarlem</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:51a&amp;g=2013-01-01">Algemene wet bestuursrecht 8:51a</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:7216">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:7216</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-07-03T15:15:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-07-03</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:7216 Rechtbank Den Haag , 04-05-2017 / AWB 16/21087</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:7216:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uit de motivering in het bestreden besluit en het verweerschrift begrijpt de rechtbank dat verweerder niet betwist dat eiseres en referent in januari 2013 Eritrea traditioneel (kerkelijk) met elkaar zijn gehuwd. In reactie op de gronden van het beroep en de deskundigenrapporten van de heer Abraha en de heer Ghebremichael heeft verweerder in het verweerschrift in het midden gelaten of het huwelijk rechtsgeldig is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit al daarom niet deugdelijk gemotiveerd. Immers, de vraag of sprake is van een rechtsgeldig huwelijk is van invloed op de vraag of op de aanvraag van eiseres het bepaalde in artikel 29, tweede lid, sub a dan wel b, Vw van toepassing is. Sub a betreft de echtgenoot of het minderjarige kind van de vreemdeling die in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel, sub b de tot het gezin van die vreemdeling behorende partner of het meerderjarige kind. Weliswaar toetst verweerder op grond van zijn in paragraaf C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) neergelegde beleid ook bij de toepassing van artikel 29, eerste lid, sub a, Vw of tussen de gehuwden sprake is van een feitelijke gezinsband, maar door eiseres is gemotiveerd gesteld dat die toets in strijd is met het bepaalde in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, juncto artikel 4 lid 1, onderdeel a van de Richtlijn, waarin is neergelegd dat de lidstaten het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging mogen afwijzen wanneer de gezinshereniger geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven meer onderhoudt met het gezinslid. Ook heeft eiseres in dit verband gewezen op punt 8 van de preambule van de Richtlijn waarin staat dat voor vluchtelingen gunstiger voorwaarden worden geschapen voor uitoefening van hun recht op gezinsleven. Volgens eiseres is tussen haar en referent wel sprake van werkelijk gezinsleven als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn. Verweerder is hierop in het verweerschrift enkel ingegaan door te verwijzen naar pagina 2 van de door eiseres in beroep overgelegde brief van mevrouw Corrado van het directoraat-generaal migratie en binnenlandse zaken van de Europese Commissie, waarin mevrouw Corrado schrijft dat de Commissie op dit moment niet kan concluderen dat het Nederlandse beleid om de feitelijke gezinsband te verifiëren in strijd is met de Richtlijn. De vraag is echter of de wijze waarop verweerder in de onderhavige zaak heeft getoetst of sprake is van een feitelijke gezinsband niet toch in strijd is met het bepaalde in artikel van 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn, omdat verweerder - blijkens de bewoordingen in het primaire besluit en het bestreden besluit - het aannemen van een feitelijke gezinsband afhankelijk heeft gesteld van de vraag of eiseres en referent een duurzame en exclusieve (partnerschaps-)relatie hebben, waarbij samenwoning één van de (belangrijkere) factoren is die getoetst worden. Door eiseres is hierover terecht aangevoerd dat uit paragraaf C2/4.1 Vc niet blijkt van deze criteria en dat die criteria wel gelden voor reguliere gezinshereniging, maar dat daarvan in casu geen sprake is.  Al gelet op het bovenstaande kleeft er aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek. Verweerder heeft de bij de tussenuitspraak gestelde termijn om het gebrek te herstellen ongebruikt laten verstrijken. Daarom heeft de rechtbank het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op het bezwaarschrift te nemen met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:7216:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Haarlem </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 16/21087 </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 mei 2017 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>
        [eiseres] ,</para>
      <para>geboren op [geboortedatum] , van Eritrese nationaliteit, </para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. drs. M.L. van Riel, advocaat te Alkmaar),</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,</para>
      <para>(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)).</para>
    </parablock>
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 18 januari 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis” afgewezen.</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 16 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft op 29 december 2016 een verweerschrift ingediend.</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De gemachtigde van verweerder is met bericht niet verschenen ter zitting.</para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>Op 14 februari 2017 heeft de rechtbank tussenuitspraak gedaan. De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld om de gebreken in het besluit op bezwaar te herstellen. Bij brief van 21 februari 2017 heeft verweerder medegedeeld dat hij van deze gelegenheid gebruik wil maken. Verweerder heeft evenwel niet binnen de gestelde termijn de gebreken hersteld. </para>
    </parablock>
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 14 februari 2017, waarin een oordeel is gegeven over het bestreden besluit en waarbij een gebrek is vastgesteld. Verweerder is daarop in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen vier weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen.</para>
    <para />
    <para>2. De rechtbank stelt vast dat de termijn om het gebrek te herstellen, als bedoeld in artikel 8:51a, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), ongebruikt is verstreken. Nu verweerder evenmin binnen de door de rechtbank geboden termijn schriftelijk en gemotiveerd heeft verzocht om verlenging van deze termijn, moet worden vastgesteld dat verweerder het gebrek niet heeft hersteld. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen op grond van de overwegingen zoals vermeld in de tussenuitspraak.</para>
    <para />
    <para>3. De rechtbank ziet geen aanleiding zelf in de zaak te voorzien, nu niet vast staat dat verweerder het geconstateerde gebrek in een nieuw te nemen besluit niet alsnog kan herstellen. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak en de tussenuitspraak van 14 februari 2017.</para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakt proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,-, wegingsfactor 1).</para>
    <para />
    <para>5. Het verzoek van eiseres van 24 april 2017 om verweerder te veroordelen in de kosten van de deskundigenrapporten conform artikel 1, aanhef en onder b, juncto artikel 2, eerste lid onder b, Bpb, wordt door de rechtbank niet bij de beoordeling van het beroep betrokken. Het onderzoek dat aan het einde van de zitting van 4 januari 2017 is gesloten, is enkel heropend teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen. Het alsnog bij de beoordeling betrekken van het verzoek van eiseres zou in strijd zijn met de bij de tussenuitspraak vastgestelde procesorde waarbij eiseres enkel in de gelegenheid is gesteld een zienswijze in te dienen in het geval verweerder zou pogen het gebrek te herstellen. </para>
    <para />
    <para>6. Verweerder zal op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, Awb, ook het betaalde griffierecht van € 168,- moeten vergoeden.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para>- verklaart het beroep gegrond;</para>
    <para>- vernietigt het bestreden besluit;</para>
    <para>- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak van 14 februari 2017 en in deze uitspraak is overwogen;</para>
    <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;</para>
    <para>- draagt verweerder op aan eiseres het betaalde griffierecht van € 168,- te vergoeden.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Peeters, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Coll:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. </para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>