<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-08-04T09:21:19</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-01-23</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 16 _ 6774</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#procesverbaal">Proces-verbaal</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_belastingrecht">Bestuursrecht; Belastingrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>V-N 2017/20.2.3</rdf:li>
          <rdf:li>V-N Vandaag 2017/690</rdf:li>
          <rdf:li>NLF 2017/0754</rdf:li>
          <rdf:li>NTFR 2017/1027 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem</rdf:li>
          <rdf:li>FutD 2017-0795</rdf:li>
          <rdf:li>Viditax (FutD) 2017032708</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:711">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:711</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-03-27T10:55:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-03-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:711 Rechtbank Den Haag , 23-01-2017 / AWB - 16 _ 6774</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:711:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Inkomstenbelasting/pvv en bijdrage Zvw, inkomen uit pgb zorgverlening</para>
        <para>Eiser ontving in 2013 loon uit dienstbetrekking. Daarnaast verleende hij zorg aan mevrouw F, waarvoor hij is betaald uit haar persoonsgebonden budget. In zijn aangifte inkomstenbelasting heeft eiser alleen zijn loon opgegeven. In de opgelegde aanslag is ook het inkomen uit zorgverlening meegenomen door verweerder. In geschil is of eiser ib/pvv en bijdrage Zvw verschuldigd is over dit  inkomen. Meer specifiek is in geschil of eiser dit inkomen als bruto of als netto uitbetaling heeft ontvangen. Eiser stelt dat F loonheffing heeft ingehouden en dat de vergoeding voor de zorgverlening netto aan hem is uitbetaald. Volgens eiser heeft hij dit met F in een contract geregeld. Volgens de rechtbank heeft eiser dit niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen jaaropgaaf of contract overgelegd. Ook is niet gebleken dat eiser en F gebruik hebben gemaakt van de ‘opting-in regeling’ en dat F bekend is als inhoudingsplichtige voor de loonheffing. Het inkomen uit zorgverlening kwalificeert als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden en eiser is hierover ib/pvv en bijdrage Zvw verschuldigd. Beroep is ongegrond.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:711:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 16/6774</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 januari 2017 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiser] te [woonplaats] , eiser,</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>De bestreden uitspraak op bezwaar </title>
    <para>De uitspraak van verweerder van 18 juli 2016 op het bezwaar van eiser tegen de voor het jaar 2013 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) en inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw).</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2017. Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] en [persoon 2] .</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Eiser was in 2013 in dienstbetrekking bij [bedrijf] B.V. (W BV) </para>
    <para>Daarnaast heeft hij zorg verleend aan mevrouw [persoon 3] (F), waarvoor hij is betaald uit haar persoonsgebonden budget.</para>
    <para />
    <para>2. Blijkens een tot de gedingstukken behorend renseignement afkomstig van de Sociale</para>
    <para>Verzekeringsbank heeft F aan eiser in 2013 de volgende bedragen voor aan haar verleende zorg betaald:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>periode 01-01-2013 tot en met 30-06-2013	€ 14.654 uitbetaald</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>periode 01-07-2013 tot en met 31-12-2013	<emphasis role="underline">€ 14.897</emphasis> uitbetaald</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <bridgehead role="bold">€ 29.551</bridgehead>
    <para />
    <para>3. Eiser heeft over 2013 aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.727, bestaande uit zijn loon (€ 23.857) bij W BV verminderd met persoonsgebonden aftrekposten (€ 3.130). Het inkomen uit zorgverlening heeft eiser niet aangegeven.</para>
    <para />
    <para>4. Met dagtekening 28 oktober 2015 heeft verweerder de aanslag ib/pvv 2013 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 50.278, bestaande uit zijn loon (€ 23.857), het inkomen uit zorgverlening (€ 29.551) en verminderd met de persoonsgebonden aftrekposten (€ 3.130). Daarnaast is bij beschikking € 746 aan belastingrente in rekening gebracht. Op dezelfde datum heeft verweerder de aanslag Zvw 2013 opgelegd naar een bijdrage inkomen van € 26.996 en een beschikking belastingrente van € 9.</para>
    <parablock>
      <para />
    </parablock>
    <para>5. In geschil is of eiser ib/pvv en bijdrage Zvw verschuldigd is over het inkomen uit zorgverlening. Meer specifiek is in geschil of eiser dit inkomen als bruto of als netto uitbetaling heeft ontvangen.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser stelt dat F loonheffing heeft ingehouden en dat zij het totaal van € 29.551 netto aan hem heeft uitbetaald. Volgens eiser heeft hij dit met F in een contract geregeld. Met de enkele stelling dat het zo is gegaan, heeft hij dit niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft geen jaaropgaaf of contract overgelegd. Ook is niet gebleken dat eiser en F gebruik hebben gemaakt van de ‘opting-in regeling’ als bedoeld in artikel 4, aanhef en onder f, van de Wet op de loonbelasting 1964. Daarnaast neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is gebleken dat F bekend is als inhoudingsplichtige voor de loonheffing. </para>
    <para />
    <para>7. Het inkomen kwalificeert als belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden in de zin van artikel 3.1, tweede lid, onderdeel c, in samenhang met artikel 3.90 van de Wet inkomstenbelasting 2001, en eiser is hierover ib/pvv en bijdrage Zvw verschuldigd. Als eiser met F een netto tarief heeft afgesproken, zal hij met haar moeten regelen dat hij deze bedragen van haar terug krijgt. Het beroep is in zoverre ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast, is het beroep ook in zoverre ongegrond.</para>
    <para />
    <para>9. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. T. van Rij, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>