<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:6138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-12T12:30:14</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-08</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-05-18</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB 17/9353</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#bodemzaak">Bodemzaak</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:6138">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:6138</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-06-08T12:06:18</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-06-12</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:6138 Rechtbank Den Haag , 18-05-2017 / AWB 17/9353</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:6138:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>- Dublin</para>
        <para>- Verantwoordelijkheid Duitsland</para>
        <para>- Systematische tekortkomingen</para>
        <para>- AIDA-rapport maart 2017</para>
        <para>- PRO ASYL-rapport november 2016</para>
        <para>- Toegang gefinancierde rechtsbijstand</para>
        <para>- Daadwerkelijk rechtsmiddel</para>
        <para>- Procedurerichtlijn</para>
        <para>- Artikel 80 VWEU geen rechtstreekse werking</para>
        <para>- Beroep ongegrond</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:6138:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 17/9353 </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 mei 2017 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser], eiser,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>V-nummer: [nummer],</para>
      <para>gemachtigde: mr. Y. Tamer,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. J.E.J. ten Berg.</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 mei 2017 waarbij zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling is genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer AWB 17/9354, plaatsgevonden op 18 mei 2017. Eiser is met voorafgaand bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>2. Eiser betwist de verantwoordelijkheid van Duitsland. Hij stelt dat niet Duitsland maar Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag, omdat hij daar eerder asiel heeft aangevraagd. De rechtbank volgt eiser niet in deze stelling. Niet in geschil is dat Duitsland op 5 mei 2015 aan Zwitserland een terugnameverzoek heeft gericht en dat daarop niet is gereageerd, zodat de verantwoordelijkheid van Zwitserland op 19 mei 2015 is komen vast te staan op grond van artikel 25, tweede lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening). Evenmin is echter in geschil dat Duitsland er niet in is geslaagd om eiser binnen de zogenoemde uiterste overdrachtstermijn aan Zwitserland over te dragen, zodat gelet op artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de verantwoordelijkheid alsnog bij Duitsland is komen te liggen.</para>
    <para>3. Eiser betoogt subsidiair dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om van overdracht aan Duitsland af te zien op de grond dat daar sprake is van systematische tekortkomingen. Volgens eiser is sprake van een gebrek aan gefinancierde rechtshulp, een te korte asielprocedure, gebrekkige voorlichting voor asielzoekers voorafgaand aan de asielprocedure en van gebruikmaking van onervaren tolken en vertalers. Ter onderbouwing wijst hij op het ‘Country Report: Germany, 2016 Update’ van <emphasis role="italic">AIDA</emphasis> van maart 2017 en op het ‘Memorandum für faire und sorgfältige Asylverfahren in Deutschland’ van <emphasis role="italic">PRO ASYL </emphasis>van november 2016. </para>
    <para />
    <para>4. Eisers stelling dat sprake is van systematische tekortkomingen omdat niet in alle gevallen wordt voorzien in gefinancierde rechtsbijstand, kan niet worden gevolgd. Zowel artikel 27, zesde lid, van de Dublinverordening, als artikel 20, derde lid, van de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) staat immers toe dat de toegang tot gefinancierde rechtsbijstand afhankelijk kan worden gesteld van de reële kans van slagen van de procedure. De kans van slagen dient te worden beoordeeld door de onafhankelijke rechter of een andere bevoegde instantie. Als een andere instantie de beoordeling verricht, dient die beoordeling vatbaar te zijn voor beroep bij de rechter. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan die bepalingen in Duitsland niet wordt voldaan. Aldus is eisers stelling dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel niet zou zijn gewaarborgd ook niet aannemelijk. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van strijd met de artikelen 46 van de Procedurerichtlijn en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.</para>
    <para />
    <para>5. Voor zover eiser aanvoert dat de Duitse asielprocedure systematische gebreken kent omdat deze te kort is en omdat er een gebrek is aan voorlichting en aan voldoende kundige beslisambtenaren, tolken en vertalers is, oordeelt de rechtbank dat eiser deze stelling niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de door eiser aangehaalde passage uit het rapport van <emphasis role="italic">AIDA</emphasis>, waarin wordt verwezen naar het rapport van <emphasis role="italic">PRO ASYL</emphasis>, blijkt weliswaar dat deze aspecten als aandachtspunten worden genoemd, maar niet dat deze feitelijk en op grote schaal leiden tot gebrekkige besluitvorming. Ook overigens blijkt niet dat eiser in voorkomende gevallen niet zou kunnen klagen bij de daartoe aangewezen (hogere) autoriteiten in Duitsland. Eiser heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van strijd met de artikelen 10, 11 en 12 van de Procedurerichtlijn. Voor zover eiser een beroep doet op het rapport van ‘de Alliantie’, stelt de rechtbank vast dat hieruit een lang citaat in de Duitse taal is opgenomen terwijl eiser niet heeft gesubstantieerd welke passages daaruit relevant zijn. Reeds daarom wordt aan dat beroep voorbijgegaan.</para>
    <para />
    <para>6. Eiser heeft ten slotte een beroep gedaan op artikel 80 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Deze bepaling heeft geen rechtstreekse werking omdat de inhoud ervan niet onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is, maar slechts beleidskaders bevat voor de lidstaten. Deze beroepsgrond treft dan ook geen doel.</para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para> verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, op 18 mei 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>griffier						rechter</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>