<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:5594</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2025-03-22T18:28:36</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-05-24</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">09/857764-16  en 09-827167-17</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">Den Haag</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#strafrecht">Strafrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
          <rdf:li>NJFS 2017/126</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:5594">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:5594</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-05-24T09:10:54</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-05-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:5594 Rechtbank Den Haag , 24-05-2017 / 09/857764-16  en 09-827167-17</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:5594:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vrijspraak oplichtingszaken artikel 326 Sr. Rechtbank kan niet vaststellen dat betrokkenen bewogen zijn tot het verrichten van bepaalde handelingen door oplichtingsmiddelen van verdachte. Geen valse hoedanigheid gelet op gebruiken in de huurbranche.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:5594:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Strafrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Meervoudige strafkamer</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Parketnummers: 09/857764-16 (dagvaarding I) en 09-827167-17 (dagvaarding II) (ttz. gev.)</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Datum uitspraak:	24 mei 2017</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Tegenspraak</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">(Promisvonnis)</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [verdachte 1]
        </emphasis>
      </para>
      <para>	geboren op [geboortedatum] ,</para>
      <para>zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Het onderzoek ter terechtzitting</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 24 maart 2017 (pro forma) en 11 mei 2017 (inhoudelijk).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat te Tilburg, naar voren is gebracht.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>De tenlastelegging</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 11 mei 2017 - ten laste gelegd dat:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">ten aanzien van dagvaarding I:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>1.</para>
      <para>hij <emphasis role="italic">op een of meer tijdstip(pen) in </emphasis>of omstreeks de periode van 01 augustus 2016 tot en met 23 december</para>
      <para>2016 te Delft, althans in Nederland <emphasis role="italic">en/of Gemmenich en/of Antwerpen en/of Brussel, althans in België en/of in Bocholtz, althans in Duitsland,</emphasis></para>
      <para>
        <emphasis role="italic">(telkens) </emphasis>met het oogmerk om zich en/of een ander</para>
      <para>wederrechtelijk te bevoordelen</para>
      <para>door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door</para>
      <para>listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,</para>
      <para>
        [aangeefster 1 ] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van</para>
      <para>een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een</para>
      <para>schuld en/of het teniet doen van een inschuld,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>te weten</para>
    </parablock>
    <para>- een telefoonabonnement voor hem af te sluiten en/of</para>
    <para>- het betalen van benzine en/of overnachtingen bij bed &amp; breakfasts en/of</para>
    <para>chalet en/of</para>
    <para>- het betalen een auto (Saab) en/of</para>
    <para>- het betalen van overige reis- en/of overnachtingskosten, </para>
    <bridgehead role="italic">(ten bedrage van in totaal ongeveer 5500 euro)</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>door</para>
    </parablock>
    <para>
      <emphasis role="italic">- gebruik te maken van een valse identiteit en/of naam te weten [valse identiteitsnaam] en/of in strijd met de waarheid zich voorgedaan als een persoon genaamd [valse identiteitsnaam] en/of</emphasis>
    </para>
    <para>- te zeggen dat hij een huis in Spanje had en/of</para>
    <para>- te zeggen dat hij veel geld had uit diverse erfenissen en/of</para>
    <para>- te zeggen dat zijn moeder in Spanje was overleden en/of</para>
    <para>- te zeggen dat die [aangeefster 1 ] ook geld zou erven en/of</para>
    <para>- te zeggen dat hij een geldbedrag van 3000 euro aan die [aangeefster 1 ] zou</para>
    <para>overmaken en/of</para>
    <para>- te zeggen dat hij een huis aan het bouwen was in Spanje</para>
    <bridgehead role="italic">en/of daarmee de indruk gewekt dat hij over voldoende financiële middelen beschikte en/of haar voldoende vertrouwen had gegeven dat hij voornemens en/of in staat zou zijn haar zou terug betalen;</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>2.</para>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 06 september 2016 tot en met 23 december</para>
      <para>2016 te Delft, althans in Nederland</para>
      <para>met het oogmerk om zich en/of een ander</para>
      <para>wederrechtelijk te bevoordelen</para>
      <para>door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door</para>
      <para>listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,</para>
      <para>
        [aangeefster 2 ] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van</para>
      <para>een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een</para>
      <para>schuld en/of het teniet doen van een inschuld, <emphasis role="italic">te weten die [aangeefster 2 ] heeft bewogen tot het maken van foto’s (voor een website) en/of die [aangeefster 2 ] sloten en/of sleutels en/of lopers heeft laten bestellen en/of betalen voor zijn, verdachtes, bedrijf (ten bedrage van totaal 1274,53 euro) door zich valselijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als een persoon genaamd [valse identiteitsnaam] en/of door gebruik te maken van een valse identiteit en/of naam te weten [valse identiteitsnaam] en/of verteld dat hij in Spanje een appartementencomplex had en/of een Porsche en/of een transportbedrijf aldaar en/of daarmee de indruk heeft gewekt, dat hij over voldoende financiële middelen beschikte en/of dat hij een bonafide klant en/of werkgever was, die voornemens en/of in staat was om die [aangeefster 2 ] te betalen;</emphasis></para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>3.</para>
      <para>hij in of omstreeks de periode van 06 september 2016 tot en met 23 december</para>
      <para>2016 te Delft <emphasis role="italic">en/of Den Haag</emphasis>, althans in Nederland</para>
      <para>met het oogmerk om zich en/of een ander</para>
      <para>wederrechtelijk te bevoordelen</para>
      <para>door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door</para>
      <para>listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,</para>
    </parablock>
    <paragroup>
      <parablock>
        <para>I. [aangeefster 3 ] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een</para>
        <para>dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld</para>
        <para>en/of het teniet doen van een inschuld, <emphasis role="italic">te weten die [aangeefster 3 ] heeft bewogen tot het maken en/of ontwerpen van een website voor zijn, verdachtes, bedrijf (ten bedrage van 1231,40 euro), althans van enig goed en/of, door zich valselijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als een persoon genaamd [valse identiteitsnaam] en/of door gebruik te maken van een valse identiteit en/of naam te weten [valse identiteitsnaam] en/of door tegen haar te zeggen dat kwaliteit best wat mocht kosten en/of de indruk heeft gewekt, dat hij over voldoende financiële middelen beschikte en/of dat hij een bonafide klant en/of werkgever was, die voornemens en/of in staat was om die [aangeefster 3 ] te betalen;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>4.</para>
        <para>hij in of omstreeks de periode van 12 september 2016 tot en met 23 december</para>
        <para>2016 te Den Haag, althans in Nederland</para>
        <para>met het oogmerk om zich en/of een ander</para>
        <para>wederrechtelijk te bevoordelen</para>
        <para>door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door</para>
        <para>listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,</para>
        <para>
          [aangever 4 ] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een</para>
        <para>dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld</para>
        <para>en/of het teniet doen van een inschuld<emphasis role="italic">, te weten die [aangever 4 ] heeft bewogen tot het aangaan van een huurovereenkomst met hem, verdachte, voor kantoorruimtes aan de [adres] (ten bedrage van ongeveer 8000 euro), althans afgifte van enig goed, door zich valselijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als een persoon genaamd [valse identiteitsnaam] en/of door gebruik te maken van een valse identiteit en/of naam te weten [valse identiteitsnaam] en/of door hem foto's te laten zien van bouwmaterieel en/of tegen hem heeft gezegd dat dat de boedel van het bedrijf van zijn overleden vader in Spanje betrof, die hij had geërfd en/of/aldus de indruk heeft gewekt, dat hij over voldoende financiële middelen beschikte en/of dat hij een bonafide huurder was, die voornemens en/of in staat was om die [aangever 4 ] te betalen;</emphasis></para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">ten aanzien van dagvaarding II:</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>hij in of omstreeks de periode van 01 oktober 2016 tot en met 01 november 2016</para>
        <para>te 's-Gravenhage, althans in Nederland</para>
        <para>met het oogmerk om zich en/of een ander</para>
        <para>wederrechtelijk te bevoordelen</para>
        <para>door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door</para>
        <para>listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,</para>
        <para>
          [aangeefster 5 ] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een</para>
        <para>dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld</para>
        <para>en/of het teniet doen van een inschuld, te weten <emphasis role="italic">die [aangeefster 5 ] heeft bewogen tot </emphasis> het verrichten van diverse werkzaamheden als allround kantoormedewerkster, <emphasis role="italic">door zich valselijk en/of in strijd met de waarheid voor te doen als een persoon genaamd [valse identiteitsnaam] en/of door gebruik te maken van een valse identiteit en/of naam te weten [valse identiteitsnaam] </emphasis>van het bedrijf [bedrijfsaam] en/of</para>
        <para>te zeggen dat hij een goedlopend transportbedrijf in Spanje had en/of zich</para>
        <para>voordeed als zijnde een bonafide werkgever die voornemens en/of in staat was</para>
        <para>om haar salaris te betalen.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Vrijspraak</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <parablock>
        <para>Inleiding<?linebreak?></para>
        <para>Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een vijftal oplichtingen als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Het standpunt van de officier van justitie</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vijf ten laste gelegde oplichtingen wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. Zij heeft ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 aangevoerd dat verdachte, om aangeefster te bewegen tot het verrichten van bepaalde handelingen, gebruik heeft gemaakt van een valse naam en valse hoedanigheid, waardoor aangeefster heeft gedacht dat verdachte over voldoende geld beschikte en dat hij voornemens was dit geld aan haar terug te betalen. Ten aanzien van dagvaarding I feit 2, 3 en 4 en dagvaarding II heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte, om de aangevers te bewegen tot het verrichten van bepaalde handelingen, gebruik heeft gemaakt van een valse naam en zich heeft voorgedaan als bonafide werkgever/klant/huurder die voornemens en in staat was om te betalen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Het standpunt van de verdediging</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten en heeft hiertoe aangevoerd:</para>
      </parablock>
      <itemizedlist mark="-">
        <listitem>
          <para>dat verdachte ontkent dat hij een valse naam heeft aangenomen en/of gelogen heeft ten einde aangevers te bewegen tot afgifte van enig goed;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat geen sprake is van één van de oplichtingsmiddelen als bedoeld in artikel 326 Sr;</para>
        </listitem>
        <listitem>
          <para>dat er bij verdachte geen sprake is geweest van het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. </para>
        </listitem>
      </itemizedlist>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>De beoordeling van de tenlastelegging</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Juridisch kader</emphasis>
        </para>
        <para>De rechtbank dient te onderzoeken of wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, in casu vijf maal oplichting in de zin van artikel 326 Sr, en dat op de wijze zoals in de tenlastelegging is omschreven. Daarbij kan het zijn dat wat in het spraakgebruik wordt verstaan onder ‘bedrog’ verschilt van het juridische begrip oplichting zoals bedoeld in artikel 326 Sr en dat niet iedere vorm van ‘bedrog’ onder het bereik van deze strafbaarstelling kan worden gebracht.  </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>In dat verband overweegt de rechtbank het volgende. Zoals de Hoge Raad in zijn overzichtsarrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2889) heeft overwogen is voor veroordeling wegens oplichting onder meer vereist dat een of meer van de in artikel 326 Sr specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen gebezigd worden, te weten: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels. Bij het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid gaat het er in de kern om dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de persoon van de verdachte, hetzij wat betreft diens naam, hetzij wat betreft diens hoedanigheid, waarbij die onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen teneinde daarvan misbruik te maken. Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin in de kern om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen. Bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels gaat het in de kern om gesproken en/of geschreven uitingen die bij die ander een op meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen. </para>
        <para>De enkele omstandigheid dat een oplichtingsmiddel is gebezigd, is echter niet voldoende om tot een veroordeling ter zake van oplichting te komen.</para>
        <para>Voor oplichting in de zin van artikel 326, eerste lid, Sr is daarenboven vereist dat de ander  mede onder invloed van de door het desbetreffende oplichtingsmiddel in het leven geroepen onjuiste voorstelling van zaken is bewogen tot de afgifte van enig goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt ten slotte dat de Hoge Raad in zijn arrest van 2 november 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BM4208) heeft geoordeeld dat het enkele aangaan van een overeenkomst en het vervolgens in gebreke blijven deze na te komen op zichzelf, ook als degene die de overeenkomst is aangegaan al voorzag niet aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen, niet het aannemen van een valse hoedanigheid noch een listige kunstgreep in de zin van artikel 326 Sr oplevert. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Tegen deze achtergrond beoordeelt de rechtbank de afzonderlijke feiten als volgt:</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dagvaarding I, feit 1</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [aangeefster 1 ] een telefoonabonnement voor verdachte heeft afgesloten, dat zij benzine, overnachtingen en overige reiskosten heeft betaald en dat zij de aanschaf van de Saab heeft betaald. De vraag die de rechtbank thans dient te beantwoorden is of verdachte aangeefster hiertoe heeft bewogen door gebruik te maken van één van de oplichtingsmiddelen als bedoeld in artikel 326 Sr. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [aangeefster 1 ] heeft zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris verklaard dat zij bovengenoemde handelingen voor verdachte heeft verricht, omdat zij hiertoe door verdachte werd gedwongen en bang voor hem was. Dat wijst in beginsel niet op oplichting. Uit de verklaringen van aangeefster zou weliswaar ook kunnen worden opgemaakt dat verdachte zich heeft bediend van oplichtingsmiddelen, zoals het aannemen van een valse naam en het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels, maar uit haar verklaringen volgt dan vervolgens niet dat zij door één van die oplichtingsmiddelen is bewogen tot haar in de tenlastelegging genoemde handelingen. Naar haar zeggen verrichtte zij die immers uit angst voor verdachte, omdat zij daartoe door hem werd gedwongen. Dat zou – indien bewezen – een strafbaar feit kunnen opleveren, maar niet het feit dat aan verdachte ten laste is gelegd, te weten oplichting. Daarvan zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dagvaarding I, feit 2</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [aangeefster 2 ] voor verdachtes bedrijf foto’s heeft gemaakt en sloten en sleutels heeft besteld, terwijl zij hiervoor niet door verdachte is betaald.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van aangeefster weliswaar kan worden opgemaakt dat verdachte zich aan haar heeft voorgesteld als [valse identiteitsnaam] en dat hij verteld heeft dat hij in Spanje een appartementencomplex, een Porsche en een transportbedrijf had, maar niet dat aangeefster juist of mede daardoor is bewogen tot het maken van de foto’s voor het bedrijf van verdachte en het bestellen van sloten en sleutels. Het dossier bevat geen andere bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring te komen dat verdachte met één van de oplichtingsmiddelen als bedoeld in artikel 326 Sr aangeefster heeft bewogen tot het verrichten van die handelingen. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting van [aangeefster 2 ] </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dagvaarding I, feit 3</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [aangeefster 3 ] een website heeft gemaakt voor verdachtes bedrijf en hiervoor niet door verdachte is betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Aangeefster heeft hierover bij de politie verklaard dat zij – naar de rechtbank begrijpt: achteraf – gelooft dat zij is bewogen tot het doen van vele werkzaamheden voor verdachte door de mooie praatjes van hem. Uit de aangifte valt niet op te maken wat aangeefster hier precies mee bedoelt. De politie heeft daar kennelijk ook niet op doorgevraagd. Uit de verklaring van aangeefster kan weliswaar worden opgemaakt dat verdachte zich heeft voorgesteld als [valse identiteitsnaam] , dat hij heeft gezegd dat kwaliteit best wat mocht kosten en dat hij de indruk heeft gewekt dat hij over voldoende financiële middelen beschikte of een bonafide klant/werkgever was die voornemens of in staat was te betalen, maar niet dat het juist of mede hierdoor is geweest dat aangeefster is bewogen voor verdachtes bedrijf werkzaamheden te verrichten. Daar komt bij dat uit de verklaring van aangeefster niet kan worden opgemaakt dat de betreffende uitlatingen van verdachte alle dateren van voor het aannemen van de opdracht door aangeefster. Nu het dossier evenmin andere bewijsmiddelen bevat om tot een bewezenverklaring te komen dat verdachte met één van de oplichtingsmiddelen als bedoeld in artikel 326 Sr aangeefster heeft bewogen tot het verrichten van genoemde handelingen, zal verdachte worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting van I. Valstar. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dagvaarding I, feit 4</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat aangever [aangever 4 ] een huurovereenkomst is aangegaan met verdachte voor kantoorruimtes aan de [adres] en hiervoor niet door verdachte is betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank overweegt dat uit de aangifte van Verboon weliswaar kan worden opgemaakt dat verdachte zich heeft voorgedaan als [valse identiteitsnaam] en dat hij aangever foto’s heeft laten zien van bouwmaterieel en daarbij heeft gezegd dat het de boedel van zijn overleden vader in Spanje betrof, maar dat uit de aangifte niet kan worden opgemaakt dat juist of mede daardoor aangever de huurovereenkomst met verdachte is aangegaan. Daarnaast overweegt de rechtbank dat uit de aangifte volgt dat aangever de kantoorruimtes aan verdachte heeft verhuurd zonder te beschikken over een kopie van het legitimatiebewijs van verdachte en zonder een borgstelling en betaling van de eerste maand huur vooraf, terwijl zulks in de huurbranche wel gebruikelijk is. In het licht hiervan kan niet worden geoordeeld dat verdachte in dit geval een valse hoedanigheid heeft aangenomen in de zin van artikel 326 Sr. Immers, voor de beoordeling of er sprake is van een valse hoedanigheid is het verwachtingspatroon dat wordt gevormd door de algemeen aanvaarde gebruiken in de betreffende branche of sector in het maatschappelijk verkeer van belang, en aangever heeft zich – zoals hiervoor vermeld – niet dienovereenkomstig gedragen (vgl. ECLI:NL:HR:2013:892, conclusie AG Machielse). Nu het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat om tot een bewezenverklaring te komen dat verdachte met één van de oplichtingsmiddelen als bedoeld in artikel 326 Sr aangever heeft bewogen tot het aangaan van de huurovereenkomst, zal verdachte worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting van [aangever 4 ] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">Dagvaarding II</emphasis>
        </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat [aangeefster 5 ] diverse werkzaamheden heeft verricht als allround kantoormedewerkster voor verdachtes bedrijf en hiervoor niet door verdachte is betaald. </para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster geen aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat verdachte aangeefster hiertoe heeft bewogen door zich voor te stellen als [valse identiteitsnaam] van het bedrijf [bedrijfsaam] , door te zeggen dat hij een goedlopend bedrijf in Spanje had of zich voor heeft gedaan als bonafide werkgever die voornemens of in staat was om haar salaris te betalen. Nu het dossier geen andere bewijsmiddelen bevat om tot een bewezenverklaring te komen dat verdachte met één van de oplichtingsmiddelen als bedoeld in artikel 326 Sr aangeefster heeft bewogen tot het verrichten van genoemde handelingen, zal verdachte worden vrijgesproken van de ten laste gelegde oplichting van [aangeefster 5 ] . </para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>4</nr>De vordering van de benadeelde partijen </title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>De vorderingen van de benadeelde partijen</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [aangeefster 1 ] heeft zich ten aanzien van dagvaarding I, feit 1 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.951,75, bestaande uit een bedrag van € 5.451,75,- aan materiële schade en een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [aangeefster 2 ] heeft zich ten aanzien van dagvaarding I, feit 2 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 1.274,53, bestaande uit materiële schade.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [aangeefster 3 ] heeft zich ten aanzien van dagvaarding I, feit 3 als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 989,-, bestaande uit materiële schade.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          [aangeefster 5 ] heeft zich ten aanzien van dagvaarding II als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 3.200,-, bestaande uit een bedrag van </para>
        <para>€ 2.700,- aan materiële schade en een bedrag van € 500,- aan immateriële schade.</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>De vordering van de officier van justitie</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">
            [aangeefster 1 ]
          </emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.951,75 met daarover de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.951,75, subsidiair 64 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 1 ] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">
            [aangeefster 2 ]
          </emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 606,53, de factuur 02 of 04, met daarover de wettelijke rente en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 606,53, subsidiair 12 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 2 ] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">
            [aangeefster 3 ]
          </emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 989,- met daarover de wettelijke rente. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 989,- subsidiair 19 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 3 ] .</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>
          <emphasis role="underline">
            [aangeefster 5 ] </emphasis>
        </para>
        <para>De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 3.100,-, bestaande uit een bedrag van € 2.700,- aan materiële schade en een bedrag van € 400,- aan immateriële schade, met daarover de wettelijke rente en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 3.100,-,- subsidiair 41 dagen hechtenis ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster 5 ] .</para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>Het standpunt van de verdediging</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, omdat er sprake moet zijn van rechtstreekse schade en een uitgebreid civielrechtelijke behandeling van de vorderingen een onevenredige belasting van het strafgeding zou betekenen. </para>
      </parablock>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>Het oordeel van de rechtbank</para>
      <para />
      <parablock>
        <para>De rechtbank zal de benadeelde partijen [aangeefster 1 ] , [aangeefster 2 ] , [aangeefster 3 ] en [aangeefster 5 ] niet-ontvankelijk verklaren in hun vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van de tenlastegelegde feiten zal worden vrijgesproken.</para>
      </parablock>
      <para />
      <parablock>
        <para>Dit brengt mee, dat de benadeelde partijen [aangeefster 1 ] , [aangeefster 2 ] , [aangeefster 3 ] en [aangeefster 5 ] dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>
      <nr>5</nr>De beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de bij dagvaarding I met parketnummer 09/857764-16 onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het bij dagvaarding II met parketnummer 09-827167-17 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de benadeelde partijen [aangeefster 1 ] , [aangeefster 2 ] , [aangeefster 3 ] en [aangeefster 5 ] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>veroordeelt de benadeelde partijen [aangeefster 1 ] , [aangeefster 2 ] , [aangeefster 3 ] en [aangeefster 5 ] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vorderingen gemaakt, tot op heden begroot op nihil. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door</para>
      <para>mr.	M.A.J. van de Kar,				voorzitter,</para>
      <para>mr.	S.M. de Bruijn, 				rechter,</para>
      <para>mr.	M.M. Dolman,					rechter,</para>
      <para>in tegenwoordigheid van mr. R.A. Hopman,		griffier,</para>
      <para>en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 mei 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>