<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:16749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-14T14:51:32</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-09-20</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">6227500 RL EXPL 17-20035</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#kortGeding">Kort geding</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht">Civiel recht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:16749">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:16749</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2020-07-14T14:49:41</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2020-07-14</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:16749 Rechtbank Den Haag , 20-09-2017 / 6227500 RL EXPL 17-20035</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:16749:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Vraag of een derde een huurder die niet meewerkt aan indeplaatsstelling dmv een rechterlijke uitspraak alsnog indeplaatsstelling kan bewerkstelligen</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:16749:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Rechtbank den haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats ’s-Gravenhage</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>AN</para>
      <para>Zaak/rolnr.: 6227500 RL EXPL 17-20035</para>
      <para>Vonnisdatum: 20 september 2017</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">Vonnis van de kantonrechter ex artikel 254 RV in de zaak van:</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">De besloten vennootschap Strandweg 39 B.V.,</emphasis>
      </para>
      <para>gevestigd en kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,</para>
      <para>eiseres,</para>
      <para>gemachtigde: mr. E.C. Kerkhoven,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>tegen</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">
          [gedaagde] ,</emphasis>
      </para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>gedaagde,</para>
      <para>gemachtigde: [gemachtigde]</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section>
    <title>
      <nr>1</nr>Procedure</title>
    <para>De kantonrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>de dagvaarding van 22 augustus 2017;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>de in het geding gebrachte producties.</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 september 2017 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarbij zijn verschenen namens eiseres [betrokkene] bijgestaan door haar gemachtigde en de gemachtigde van gedaagde. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Vervolgens is de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden. <?linebreak?></para>
    </parablock>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>2</nr>Feiten</title>
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende gemotiveerd weersproken, mede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de overgelegde producties, voor zover in dezen van belang, het navolgende vast.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>Tussen partijen is een koopovereenkomst gesloten waarbij gedaagde een horecabedrijf verkocht en geleverd heeft aan eiseres.  </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>Het horecabedrijf is gelegen op grond van wordt gehuurd van de gemeente. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>3</nr>Vordering, grondslag en verweer</title>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Eiseres vordert na vermindering van eis “dat de kantonrechter het in deze te wijzen vonnis zo redigeert dat het in de plaats komt van de medewerking (handtekening) van gedaagde”.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Eiseres legt aan deze vordering, naast voormelde feiten, het navolgende ten grondslag. Gedaagde weigert om mee te werken aan de benodigde indeplaatsstelling op de huurovereenkomst met de gemeente ter zake van de grond. Omdat gedaagde weigert mee te werken vordert eiseres dat haar medewerking niet langer vereist is door deze medewerking (handtekening) te laten vervangen door het te wijzen vonnis van de kantonrechter.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Gedaagde voert als verweer aan dat de koopovereenkomst niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en dat de totstandkoming van die overeenkomst onderzocht dient te worden.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>
      <nr>4</nr>Beoordeling</title>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>4.1</nr>
      <para>Het spoedeisend belang aan de zijde van eiseres is de kantonrechter genoegzaam gebleken, nu – onweersproken – verdere vergunningsverlening aan eiseres volgens haar afhankelijk is van haar hoedanigheid van huurder.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.2</nr>
      <para>Voorop moet worden gesteld dat voor toewijzing van de vorderingen eerst plaats is, indien er sprake is van een grote mate van waarschijnlijkheid dat die toewijzing in overeenstemming zal zijn met een oordeel in een bodemprocedure. De kantonrechter dient daarom te beoordelen of de vordering van eisers in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat vooruitlopend daarop de toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.3</nr>
      <para>De kantonrechter overweegt ten aanzien van het verweer van gedaagde als volgt. Tussen partijen is een koopovereenkomst gesloten die is vastgelegd in een notariële akte. Gedaagde heeft de rechtsgeldigheid van die koopovereenkomst ongemotiveerd weersproken zodat de kantonrechter uitgaat van de rechtsgeldigheid van die koopovereenkomst. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.4</nr>
      <para>De kantonrechter begrijpt dat eiseres een vonnis wenst waarmee zij de indeplaatsstelling kan realiseren zonder dat gedaagde daar aan meewerkt. Voor zover eiseres haar vordering grondt op artikel 3:296 Burgerlijk Wetboek overweegt de kantonrechter als volgt. Een rechtsplicht moet worden nagekomen, daartoe kan hij die jegens een ander verplicht is iets te geven, te doen of na te laten worden veroordeeld. Op degene die de vordering instelt rust de stelplicht en de bewijslast omtrent het bestaan van de verplichting om te geven, te doen of na te laten. Eiseres heeft weliswaar gesteld dat zij (naar de kantonrechter begrijpt: door het sluiten van de koopovereenkomst) [gedaagde] is opgevolgd in diens rechten jegens de gemeente, maar uit het verweer van [gedaagde] volgt dat zij dat bestrijdt. Uit de in de notariële akte, waarin de koopovereenkomst is opgenomen, en waarnaar eiseres verwijst, blijkt niet sprake is van de verplichting van gedaagde jegens eiseres om mee te werken aan een indeplaatsstelling. Op grond van laatstgenoemd artikel is de vordering van eiseres dan ook niet toewijsbaar.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.5</nr>
      <para>Voor zover eiseres haar vordering heeft beoogd te gronden op artikel 7:307 Burgerlijk Wetboek overweegt de kantonrechter dat slechts de huurder, in dit geval gedaagde, kan vorderen om gemachtigd te worden om een derde als huurder in zijn plaats te stellen. Ook op grond van dit artikel is de vordering van eiseres niet toewijsbaar. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.6</nr>
      <para>Nu de vordering van eiseres voorts geen steun vindt in enige wettelijke bepaling, zal de kantonrechter de vordering van eiseres af moeten wijzen. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>4.7</nr>
      <para>Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit kortgeding.</para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section>
    <title>
      <nr>5</nr>Beslissing</title>
    <para>De kantonrechter:</para>
    <para />
    <orderedlist numeration="arabic">
      <listitem>
        <para>wijst de vordering af;<?linebreak?></para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>veroordeelt eiseres in de kosten van de procedure, tot hiertoe aan de zijde van gedaagde vastgesteld op € 100,-, als noodzakelijke verletkosten;</para>
      </listitem>
    </orderedlist>
    <para />
    <parablock>
      <para>Dit vonnis is gewezen door mr. O. van der Burg, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 september 2017, in tegenwoordigheid van de griffier.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>