<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:15720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-01T13:22:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-01-15</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-12-21</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL17.13423</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:15720">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:15720</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2018-02-01T13:21:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2018-02-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:15720 Rechtbank Den Haag , 21-12-2017 / NL17.13423</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:15720:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Dublin Duitsland, beroep ongegrond.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:15720:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG </bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: NL17.13423</para>
    </parablock>
    <bridgehead role="bold">
      <?linebreak?>uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2017 in de zaak tussen</bridgehead>
    <bridgehead role="bold">
      [eiser] , eiser</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. Y. Tamer),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL17.13424, plaatsgevonden op 12 december 2017. Zowel eiser als verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 en de Iraakse nationaliteit te hebben. </para>
    <para />
    <para>2. Eiser heeft op 21 augustus 2017 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen. Verweerder heeft aan zijn besluit ten grondslag gelegd dat Duitsland verantwoordelijk is, omdat uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 25 april 2016 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Duitsland. De autoriteiten van Duitsland zijn daarom op 26 september 2017 gevraagd om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. Zij hebben hiermee ingestemd op 5 oktober 2017. Dit alles is door eiser niet betwist. </para>
    <para />
    <para>3. Tussen partijen is in geschil of Nederland het asielverzoek op grond van artikel <?linebreak?>17 van de Dublinverordening aan zich zou moeten trekken. Eiser stelt zich op het standpunt dat Duitsland zich niet houdt aan de verdragsverplichtingen. Duitsland handelt bijvoorbeeld in strijd met artikel 27, zesde lid van de Dublinverordening, nu eiser geen gefinancierde rechtsbijstand heeft gekregen in de Duitse procedure over zijn asielaanvraag. Gelet hierop kan volgens eiser niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel worden uitgegaan. </para>
    <para />
    <para>4. De rechtbank is het volgende van oordeel.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid van uitgaan dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen (jegens eiser) nakomt. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Duitsland dit niet doet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat het voor eiser niet mogelijk zou zijn om zich in Duitsland tot een onafhankelijke rechter te wenden en rechtsbijstand te krijgen als er daadwerkelijk een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM bestaat bij terugkeer naar het land van herkomst. Verweerder heeft op dit punt terecht verwezen naar de jurisprudentie over dit onderwerp, waarin is overwogen dat het systeem van kostenvergoeding voor rechtsbijstand in Duitsland in overeenstemming is met artikel 20, eerste lid van de Procedurerichtlijn. Uit het aanmeldgehoor van eiser is niet gebleken van onregelmatigheden in de door hem in Duitsland doorlopen asielprocedure die zouden moeten leiden tot het oordeel dat in zijn geval niet zou zijn voldaan aan de vereisten van artikel 20 van de Procedurerichtlijn. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn specifieke geval in zijn belangen is geschaad in de Duitse asielprocedure door dit kostensysteem. </para>
      <para>Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat niet langer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland Verweerder heeft geen aanleiding hoeven te zien om het asielverzoek van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Het beroep zal derhalve ongegrond worden verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para>5. Het beroep is ongegrond.</para>
    <para />
    <para>6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D. van Loopik, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="2">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <tbody>
          <row>
            <entry>
              <para>griffier</para>
            </entry>
            <entry>
              <para>Rechter is verhinderd om te ondertekenen</para>
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel<?linebreak?>Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening. </title>
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>