<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2017:12505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-24T13:10:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2017-02-28</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 16/13654</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorziening">Voorlopige voorziening</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0005537&amp;artikel=8:81&amp;g=2013-01-01">Algemene wet bestuursrecht 8:81</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:12505">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:12505</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-11-24T13:09:37</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-11-24</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2017:12505 Rechtbank Den Haag , 28-02-2017 / AWB - 16/13654</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2017:12505:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Voorlopige voorziening verbod uitzetting totdat op bezwaar is beslist, voorziening toegewezen.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2017:12505:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold caps">Voorzieningenrechter van de Rechtbank DEN Haag</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummer: AWB 16/13654</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van 28 februari 2017 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [verzoeker], verzoeker, V-nummer [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. J. Hemelaar),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.</bridgehead>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 21 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier, met als doel “familieleven op grond van artikel 8 EVRM”, afgewezen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hiertegen heeft verzoeker op 21 juni 2016 bezwaar gemaakt en tevens de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist (AWB 16/13654). </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 12 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van verzoeker van 21 juni 2016 ongegrond verklaard.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 12 december 2016 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (AWB 16/29085). Het eerder ingediende verzoek met kenmerk AWB 16/13654 is thans connex verklaard aan dit beroep.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan - onder meer - indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. </para>
    <para />
    <para>2. Bij brief van 24 februari 2017 heeft verweerder verzocht om aanhouding van de behandeling van het beroep, in afwachting op de beslissing op het bezwaar gericht tegen het inreisverbod dat gelijktijdig met het primaire besluit in onderhavige procedure is opgelegd, en voorts medegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van het verzoek, in die zin dat verzoeker niet zal worden uitgezet totdat op het beroep is beslist. </para>
    <para>3. Nu tussen partijen niet langer in geschil is dat van uitzetting van verzoeker behoort te worden afgezien, bestaat aanleiding om het verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen en uitzetting te verbieden tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist. </para>
    <para />
    <para>4. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb in samenhang met artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 495,-      (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1, waarde per punt € 495,- ). </para>
    <para />
    <para>5. De voorzieningenrechter ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vijfde lid, van de Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht<?linebreak?>ad € 168,- zal vergoeden.</para>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter:<?linebreak?>- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;<?linebreak?>- verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;<?linebreak?>- bepaalt dat verweerder het door verzoeker betaalde griffierecht van € 168,- aan hem vergoedt;</para>
      <para>- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 495,- te betalen aan verzoeker.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Dam, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 februari 2017.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>