<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2016:5780</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-06-16T14:19:24</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-05-27</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-05-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 16 _ 6107</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:references rdfs:label="Wetsverwijzing" bwb:resourceIdentifier="jci1.31:c:BWBR0011823&amp;artikel=29&amp;g=2015-07-20">Vreemdelingenwet 2000 29</dcterms:references>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:5780">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:5780</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-06-16T14:17:13</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-06-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2016:5780 Rechtbank Den Haag , 27-05-2016 / AWB - 16 _ 6107</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2016:5780:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>Uit Eurodac is gebleken dat eiser een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Eiser wordt niet gevolgd in de enkele ontkenning hiervan. Met de betrekking tot de gestelde moslimhaat in Duitsland overweegt de rechtbank dat eiser zich hiermee kan wenden tot de Duitse autoriteiten. Nu eiser ook zijn medische klachten op geen enkele wijze heeft onderbouwd, heeft verweerder de aanvraag van eiser in Nederland niet aan zich hoeven trekken.</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2016:5780:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>zaaknummers: AWB 16/6107 </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 april 2016 in de zaak tussen</bridgehead>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [eiser],  eiser, V-nummer [V-nummer]</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder</bridgehead>
    <para>(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weijden).</para>
    <para />
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 29 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), die op 10 december 2015 is ingediend, niet in behandeling genomen.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016.</para>
      <para>Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig [tolk], tolk in de Sorani taal.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>1. 	Aan het besluit de aanvraag niet in behandeling te nemen is het hiernavolgende voorafgegaan.</para>
    </parablock>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>1.1</nr>
      <para>Blijkens Eurodac heeft eiser op 23 november 2015 in Duitsland een verzoek om internationale bescherming ingediend. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>1.2</nr>
      <para>Verweerder heeft de autoriteiten van Duitsland op grond van Verordening (EU) 604/2013 (de Dublinverordening) op 4 februari 2016 gevraagd om eiser terug te nemen. Duitsland heeft deze verantwoordelijkheid middels het claimakkoord van 9 februari 2016 erkend. Daarmee staat de verantwoordelijkheid van Duitsland vast.</para>
      <para />
      <para>2. Eiser kan zich niet verenigen met een overdracht aan de Duitse autoriteiten en voert daartoe – samengevat – het volgende aan. Eiser heeft nooit in Duitsland een asielaanvraag ingediend. Hij is gedwongen om zijn vingerafdrukken af te staan met de mededeling dat hij daarna door kon reizen naar Nederland. Voorts heeft eiser geen vertrouwen in de procedure in Duitsland en heeft hij daar sterke moslimhaat ondervonden. Ten slotte stelt eiser ernstige psychische klachten te hebben en daarvoor een behandeling nodig te hebben. </para>
      <para />
      <para>3. De rechtbank overweegt als volgt.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.1</nr>
      <para>Nu uit Eurodac is gebleken dat eiser in Duitsland internationale bescherming heeft gevraagd en de Duitse autoriteiten de verantwoordelijkheid voor het behandelen hiervan reeds hebben erkend, wordt eiser niet gevolgd in zijn enkele ontkenning dat hij in Duitsland geen verzoek om internationale bescherming heeft gedaan.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.2</nr>
      <para>Eiser heeft met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk gemaakt dat Duitsland zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Verweerder heeft zich – met de in het besluit gegeven motivering – dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Duitsland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Duitsland een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 3 van het EVRM. Met betrekking tot de – gestelde – ondervonden moslimhaat overweegt de rechtbank dat eiser zich kan richten tot de Duitse autoriteiten. Dat klagen bij de Duitse autoriteiten zinloos is omdat zij opzettelijke foutieve informatie aan eiser hebben verstrekt, is niet onderbouwd en wordt door de rechtbank niet gevolgd. Ten slotte is niet gebleken dat de behandeling voor de – gestelde – psychische klachten niet in Duitsland plaats kan vinden. </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.3</nr>
      <para>Volgens het beleid van verweerder dat is neergelegd in paragraaf C2/5.1 maakt verweerder terughoudend gebruik van de bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Slechts indien er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt of wanneer er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht getuigt van onevenredige hardheid, maakt verweerder van deze bevoegdheid gebruik. Gelet op hetgeen in 3.2 is overwogen kan er ten aanzien van Duitsland worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De stelling dat de behandeling voor zijn psychische klachten moeilijk te verkrijgen is, heeft eiser op geen enkele wijze onderbouwd. Reeds daarom zal de rechtbank hieraan voorbij gaan. Derhalve is evenmin gebleken dat overdracht aan Duitsland getuigt van onevenredige hardheid.</para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>3.4</nr>
      <para>Het beroep is ongegrond. </para>
      <para />
      <parablock>
        <para>4. 	Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
      </parablock>
      <para />
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Brand, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>