<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2016:16172</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-29T13:05:21</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-23</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-11-25</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">C/09/508436 / FA RK 16-2534</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegMeervoudig">Eerste aanleg - meervoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#civielRecht_personenEnFamilierecht">Civiel recht; Personen- en familierecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:16172">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:16172</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-29T13:05:12</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-29</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2016:16172 Rechtbank Den Haag , 25-11-2016 / C/09/508436 / FA RK 16-2534</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2016:16172:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>partneralimentatie tussen samenwoners - verwijzing naar team civiel op grond van wisselbepaling 69 Rv</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2016:16172:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Meervoudige Kamer</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>Rekestnummer: FA RK 16-2534</para>
    <para>Zaaknummer: C/09/508436</para>
    <para>Datum beschikking: 25 november 2016</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>Alimentatie</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Beschikking op het op 1 april 2016 ingekomen verzoek van:</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de vrouw] ,</title>
    <parablock>
      <para>de vrouw,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: voorheen mr. C. de Jongh te Roelofarendsveen, thans mr. M.Y.M. Renken te Leiden. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Als belanghebbende wordt aangemerkt:</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [de man] ,</title>
    <parablock>
      <para>de man,</para>
      <para>wonende te [woonplaats] ,</para>
      <para>advocaat: mr. E.M.H. Alkemade te Den Haag.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Procedure</title>
    <para>De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:</para>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>het verzoekschrift;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>het verweerschrift tevens (voorwaardelijk) verzoekschrift;</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- het verweer tegen het (voorwaardelijk) zelfstandig verzoek;</para>
    <para>- de brief met bijlagen d.d. 14 oktober 2016 van de zijde van de man;</para>
    <para>- de brief met bijlagen d.d. 17 oktober 2016 van de zijde van de vrouw. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 27 oktober 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: partijen en hun advocaten. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Verzoek en verweer</title>
    <para>Het verzoek van de vrouw strekt ertoe dat de rechtbank de man veroordeelt tot betaling van een partneralimentatie van € 3.100,00 bruto per maand met ingang van 1 oktober 2015, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen tot de datum waarop deze verplichting ingevolge het tussen partijen gesloten convenant komt te vervallen, zijnde 1 september 2019, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Tevens heeft hij zelfstandig verzocht: </para>
    </parablock>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">voorwaardelijk, indien de rechtbank een beslissing geeft in de hoofdzaak</emphasis>: de vrouw te veroordelen om binnen twee weken na deze beschikking de man een bedrag van € 2.996,00 te betalen bij gebreke waarvan binnen de gestelde termijn, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover tot aan de dag van voldoening;</para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>
          <emphasis role="underline">meer voorwaardelijk, in het geval de alimentatieverplichting van de man voortduurt</emphasis>:  de door partijen op 17 juli 2009 ondertekende overeenkomst, voor zover daarbij is bepaald dat de man vanaf 1 januari 2010 ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag zal betalen van € 3.100,00 per maand, zulks ongeïndexeerd, tot 1 september 2019, te ontbinden, dan wel het door de man te betalen bedrag te bepalen op enig ander bedrag, lager dan € 3.100,00 per maand en voor een kortere periode dan tot 1 september 2019,</para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>een en ander met veroordeling van de vrouw in de kosten van dit geding. </para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de man. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Feiten </title>
    <itemizedlist mark="-">
      <listitem>
        <para>	Partijen hebben gedurende 21 jaar een affectieve relatie gehad. Bij notariële akte van 18 december 2000 hebben zij een samenlevingscontract gesloten. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>	Partijen zijn ouders van drie kinderen, waarvan er twee thans nog minderjarig zijn. </para>
      </listitem>
      <listitem>
        <para>	De relatie van partijen is begin 2009 geëindigd. Zij woonden laatstelijk samen in de woning aan de [adres] die (geheel) in eigendom toebehoort aan de man. </para>
      </listitem>
    </itemizedlist>
    <para>- In een op 17 juli 2009 door hen ondertekend convenant – dat zij met behulp van De Scheidingsplanner te Den Haag hebben opgesteld – hebben zij de gevolgen van de verbreking van hun samenleving geregeld. Voor zover van belang vermeldt het convenant: </para>
    <bridgehead role="underline italic">Artikel 2: Partneralimentatie</bridgehead>
    <para />
    <paragroup>
      <nr>2.1</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">Partijen zijn ervan op de hoogte dat zij op basis van de wet over en 			weer geen alimentatie verschuldigd zijn. Partijen wensen echter een 				partneralimentatie ten behoeve van de vrouw overeen te komen. Partijen 			verklaren 157 tot en met artikel 159 van boek 1 Burgerlijk Wetboek, meer in 			het bijzonder artikel 158 van boek 1 BW over de alimentatieovereenkomst, 			van overeenkomstige toepassing op de beëindiging van hun samenleving. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.2</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">In afwijking van het in art. 1:160 BW bepaalde eindigt de 				alimentatieverplichting van de man niet bij samenleven van de vrouw met 			een ander als waren zij gehuwd, of als hadden zij hun partnerschap laten 			registreren, maar zal deze doorlopen gedurende tien jaar vanaf 				1 september 2009. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.3</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De man zal met ingang van 1 september 2009 bijdragen in het 			levensonderhoud van de vrouw met een bedrag van € 3.500,- bruto, welk 			bedrag bij vooruitbetaling maandelijks aan haar zal worden voldaan. Vanaf 			1 januari 2010 zal dit bedrag verlaagd worden naar € 3.100,- per maand. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.4</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De in artikel 2.2 vastgestelde bedragen zullen niet worden verhoogd met 		de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW. </emphasis>
      </para>
      <para />
    </paragroup>
    <paragroup>
      <nr>2.5</nr>
      <para>
        <emphasis role="italic">De in artikel 2.2 bepaalde alimentatie zal gedurende 10 jaar door de man 		betaald worden, te rekenen vanaf 1 september 2009. </emphasis>
      </para>
      <para>- De vrouw is op 2 september 2015 op huwelijkse voorwaarden gehuwd met de heer 		[naam] . In verband hiermee heeft de man met ingang van 1 oktober 2015 de 			betaling van de partneralimentatie aan de vrouw geëindigd. </para>
      <para>- Bij vonnis in kort geding van 11 december 2015 is de vordering van de vrouw om 	de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 3.100,00 per maand vanaf 	1 september 2015 tot 1 september 2019 alsmede de vordering van de man om de 	vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.996,66 afgewezen. </para>
      <para />
    </paragroup>
  </section>
  <section role="overwegingen">
    <title>Beoordeling</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="underline">Wisselbepaling</emphasis>
      </para>
      <para>De rechtbank stelt voorop dat in zaken van levensonderhoud, verschuldigd krachtens Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het volgen van de verzoekschriftprocedure als dwingend voorgeschreven moet worden beschouwd, ook indien tussen partijen een alimentatieovereenkomst is gesloten (zie HR 2 mei 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8125).</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige alimentatieovereenkomst moet worden aangemerkt als een overeenkomst in de zin van boek 6 BW. In Boek 1 BW zijn geen bepalingen opgenomen die zien op een dergelijke overeenkomst. Voorts heeft op de man  nimmer een wettelijke onderhoudsverplichting jegens de vrouw in de zin van Boek 1 BW gerust. Dat partijen in het convenant de artikelen 1:157 tot en met 159 BW van overeenkomstige toepassing hebben verklaard, maakt het voorgaande niet anders.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Hieruit volgt dat het onderhavige geschil had moeten worden ingeleid met een dagvaarding. De vrouw heeft met het starten van de onderhavige procedure met een verzoekschrift derhalve een onjuiste rechtsingang gekozen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Ter terechtzitting hebben partijen verzocht op grond van proceseconomische redenen de zaak toch inhoudelijk te behandelen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank ziet hiertoe onvoldoende aanleiding. Het proceseconomische belang vindt zijn grond in niet meer dan de keuze voor een onjuiste rechtsingang door één der partijen. Hier staat evenwel tegenover het algemene belang van de rechtszekerheid bij de toepassing van de expliciete wettelijke regeling in dezen. De rechtbank acht de mogelijke precedentwerking en de daarmee gepaard gaande onduidelijkheid over de wijze waarop een dergelijke gerechtelijke procedure dient te worden ingeleid onwenselijk. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Gezien het voorgaande zal de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 69 Rv verwijzing bevelen naar Team Civiel, met bepaling dat de procedure in de stand waarin zij zich bevindt wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank:</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt dat de procedure zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de dagvaardingsprocedure;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>bepaalt dat de zaak zal worden uitgeroepen ter rolzitting van de civiele kamer van deze rechtbank van 21 december 2016;</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>beveelt de vrouw om de man bij exploot aan te zeggen dat de zaak op voornoemde zitting zal worden uitgeroepen, en hem daarbij het inleidende processtuk te doen betekenen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <informaltable>
      <tgroup cols="3">
        <colspec colname="colA" />
        <colspec colname="colB" />
        <colspec colname="colC" />
        <tbody>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para>Deze beschikking is gegeven door mrs. C.G. Meeder, A.C. Olland en M.P. Verloop in tegenwoordigheid van mr. A.W. Spee als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2016.</para>
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry namest="colA" nameend="colC">
              <para />
            </entry>
          </row>
          <row>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
            <entry>
              <para />
            </entry>
          </row>
        </tbody>
      </tgroup>
    </informaltable>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>