<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2016:15140</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-01-16T16:31:57</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-12-13</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-12-09</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL16.3549</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#mondelingeUitspraak">Mondelinge uitspraak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:15140">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:15140</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-12-13T08:03:34</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-16</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2016:15140 Rechtbank Den Haag , 09-12-2016 / NL16.3549</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2016:15140:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <para>mondelinge uitspraak, Dublin Tsjechië, interstatelijk vertrouwensbeginsel, 3.6a, tweede lid, van het Vb, 6.1e, tweede lid, van het Vb</para>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2016:15140:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummer: NL16.3549 </para>
      <para>V-nummer: [nummer] </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 december 2016 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiseres,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. M. Drenth,</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 25 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen. </para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2016. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens was ter zitting aanwezig N. Jesajan, tolk in de Armeense taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak. De rechtbank overweegt het volgende.</para>
    <para />
    <para>2. Niet langer in geschil is dat Tsjechië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In geschil is of verweerder op grond van artikel 17 van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) de asielaanvraag van eiseres aan zich had moeten trekken. </para>
    <para />
    <para>3. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Tsjechië zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat Tsjechië dat niet doet. Eiseres is hierin niet geslaagd. Eiseres heeft zelf verklaard niet in Tsjechië te zijn geweest, heeft daar derhalve ook geen problemen ondervonden. Het door eiseres overgelegde rapport van Amnesty International van 24 februari 2016 biedt  onvoldoende aanknopingspunten voor de aanwezigheid van ernstige aan het systeem gerelateerde tekortkomingen in de opvang en asielprocedure in Tsjechië, nu dit ziet op de omstandigheden in één detentiecentrum. </para>
    <para />
    <para>4. Verweerder heeft een ruime beoordelings- en beleidsvrijheid bij de vraag of de humanitaire clausule moet worden toegepast. Verweerder maakt daar volgens zijn beleid terughoudend gebruik van. Verweerder heeft de door eiseres aangevoerde medische omstandigheden en het gestelde slachtofferschap van mensenhandel niet zodanig bijzonder hoeven achten dat toepassing van deze humanitaire clausule is aangewezen. De uitspraken waarnaar is verwezen in beroep leiden niet tot een ander oordeel, nu het daarin niet om de Dublinprocedure gaat.  </para>
    <para />
    <para>5. Voorts staat ter beoordeling of verweerder ten onrechte eiseres niet ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning heeft verleend, nu eiseres stelt slachtoffer te zijn van mensenhandel. Dit betoog faalt. Bij afwijzing van een eerste asielaanvraag kan verweerder alsnog ambtshalve een verblijfsvergunning verlenen, maar niet als een asielaanvraag niet in behandeling is genomen. De rechtbank verwijst hiervoor naar artikel 3.6a, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). </para>
    <para />
    <para>6. Tot slot is de vraag of verweerder ten onrechte niet ambtshalve artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) heeft toegepast. Ter zitting heeft verweerder in dit kader terecht gewezen op artikel 6.1e, tweede lid, van het Vb waarin is bepaald dat in Dublinzaken geen beoordeling plaats vindt op grond van artikel 64 van de Vw. Eerst bij daadwerkelijke overdracht van eiseres kan worden beoordeeld of eiseres fysiek in staat is te reizen. </para>
    <para />
    <para>7. Het beroep is ongegrond. </para>
    <para />
    <para>8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank:</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>- verklaart het beroep ongegrond.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.E. Paulus, griffier, op 9 december 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>