<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2016:13077</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-11-02T11:25:10</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-01</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-10-27</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">NL16.2760, NL16.2761</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#voorlopigeVoorzieningbodemzaak">Voorlopige voorziening+bodemzaak</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht_vreemdelingenrecht">Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:13077">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:13077</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2016-11-01T15:08:27</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-11-02</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2016:13077 Rechtbank Den Haag , 27-10-2016 / NL16.2760, NL16.2761</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2016:13077:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>- Afwijzing als kennelijk ongegrond</para>
        <para>- Misleiding</para>
        <para>- Valse identiteitsgegevens</para>
        <para>- Alsnog aanleveren juiste gegevens</para>
        <para>- Tegenstrijdige verklaringen</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2016:13077:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <uitspraak.info>
    <bridgehead role="bold">RECHTBANK DEN HAAG</bridgehead>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zittingsplaats Middelburg</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bestuursrecht</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Zaaknummers: NL16.2760 (beroep) en NL16.2761 (verzoek) </para>
      <para>V-nummer: [nummer] </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>
        <emphasis role="bold">proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter en de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 27 oktober 2016 in de zaak tussen</emphasis>
      </para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">
      [naam], eiser en verzoeker,</bridgehead>
    <parablock>
      <para>hierna te noemen: eiser,</para>
      <para>gemachtigde: mr. J.C.A. Koen,</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
    <bridgehead role="bold">de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,</bridgehead>
    <para>gemachtigde: mr. A.S. Poelman.</para>
    <para />
  </uitspraak.info>
  <section role="procesverloop">
    <title>Procesverloop</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>Bij besluit van 5 oktober 2016 (het bestreden besluit), genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.</para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Op 6 oktober 2016 heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening teneinde uitzetting hangende het beroep te voorkomen. </para>
    </parablock>
    <para />
    <parablock>
      <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was aanwezig T.J. Hoessein, tolk in de Urdu-taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para />
    <para>1. De rechtbank doet na afloop van het onderzoek ter zitting onmiddellijk mondeling uitspraak en overweegt daartoe het volgende.</para>
    <para />
    <para>2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Niet in geschil is dat eiser niet zijn eigen persoonsgegevens heeft opgegeven en dat hij een vals identiteitsbewijs heeft overgelegd. Voorts heeft eiser ook nadat hij de volgens hem juiste persoonsgegevens heeft medegedeeld tegenstrijdige verklaringen afgelegd, bijvoorbeeld over de taal die hij het beste beheerst. Dit is dan ook terecht door verweerder tegengeworpen. Ook heeft verweerder terecht het standpunt ingenomen dat het alsnog meedelen van de juiste gegevens niet kan afdoen aan de afwijzing als kennelijk ongegrond, nog daargelaten dat eiser deze persoonsgegevens niet heeft gestaafd. Anders dan eiser meent, noopt het bepaalde in artikel 16 van de Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) niet tot een ander oordeel. In dit artikel is immers slechts neergelegd dat de asielzoeker in de gelegenheid wordt gesteld om zijn asielverzoek te staven waarbij hij gelegenheid moet krijgen om uitleg te geven over eventuele tegenstrijdigheden. Daaraan is in het geval van eiser voldaan. Geenszins volgt echter uit dit artikel dat een asielverzoek niet langer kan worden afgewezen als na het meedelen van valse gegevens andere gegevens worden verstrekt zonder deze te staven. Voorts is in artikel 31, achtste lid, aanhef en onder c, van dezelfde richtlijn expliciet de mogelijkheid neergelegd om een verzoek af te wijzen als kennelijk ongegrond indien de verzoeker valse informatie of documenten heeft verstrekt omtrent zijn identiteit en/of nationaliteit.</para>
    <para />
    <para>3. Vervolgens heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verdere beoordeling van het asielrelaas achterwege kan blijven, nu niet kan worden vastgesteld wat de ware identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser is. Asielmotieven hebben immers slechts betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling. Hierin ziet de rechtbank zich gesteund door vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zoals bijvoorbeeld neergelegd in de uitspraak van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4061).</para>
    <para />
    <para>4. Het beroep is ongegrond. Gelet daarop bestaat geen aanleiding om het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.</para>
    <para />
    <para>5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.</para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>De rechtbank, in de zaak met nummer NL16.2760:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> verklaart het beroep ongegrond.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>De voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL16.2761:</para>
    </parablock>
    <para />
    <para> wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <para />
    <parablock>
      <para>Afschrift verzonden aan partijen op: </para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <para>Tegen deze uitspraak kan, voor zover betrekking hebbend op het beroep, binnen één week na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.</para>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>