<?xml version="1.0" encoding="utf-8"?>
<open-rechtspraak>
  <rdf:RDF xmlns:rdf="http://www.w3.org/1999/02/22-rdf-syntax-ns#" xmlns:ecli="https://e-justice.europa.eu/ecli" xmlns:tr="http://tuchtrecht.overheid.nl/" xmlns:eu="http://publications.europa.eu/celex/" xmlns:dcterms="http://purl.org/dc/terms/" xmlns:bwb="bwb-dl" xmlns:cvdr="http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/" xmlns:psi="http://psi.rechtspraak.nl/" xmlns:rdfs="http://www.w3.org/2000/01/rdf-schema#">
    <rdf:Description>
      <dcterms:identifier>ECLI:NL:RBDHA:2016:13039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/xml</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-01-06T14:03:08</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2016-10-31</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:creator rdfs:label="Instantie" resourceIdentifier="http://standaarden.overheid.nl/owms/terms/Rechtbank_Den_Haag" scheme="overheid.RechterlijkeMacht">Rechtbank Den Haag</dcterms:creator>
      <dcterms:date rdfs:label="Uitspraakdatum">2016-11-02</dcterms:date>
      <psi:zaaknummer rdfs:label="Zaaknr">AWB - 16 _ 5177</psi:zaaknummer>
      <dcterms:type rdf:language="nl" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/uitspraak">Uitspraak</dcterms:type>
      <psi:procedure rdf:language="nl" rdfs:label="Procedure" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/procedure#eersteAanlegEnkelvoudig">Eerste aanleg - enkelvoudig</psi:procedure>
      <dcterms:coverage>NL</dcterms:coverage>
      <dcterms:spatial rdfs:label="Zittingsplaats">'s-Gravenhage</dcterms:spatial>
      <dcterms:subject rdfs:label="Rechtsgebied" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/rechtsgebied#bestuursrecht">Bestuursrecht</dcterms:subject>
      <dcterms:hasVersion rdfs:label="Vindplaatsen" resourceIdentifier="http://psi.rechtspraak.nl/vindplaats">
        <rdf:list>
          <rdf:li>Rechtspraak.nl</rdf:li>
        </rdf:list>
      </dcterms:hasVersion>
    </rdf:Description>
    <rdf:Description rdf:about="http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:13039">
      <dcterms:identifier>http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:13039</dcterms:identifier>
      <dcterms:format>text/html</dcterms:format>
      <dcterms:accessRights>public</dcterms:accessRights>
      <dcterms:modified>2017-01-06T14:02:53</dcterms:modified>
      <dcterms:issued rdfs:label="Publicatiedatum">2017-01-06</dcterms:issued>
      <dcterms:publisher resourceIdentifier="http://rechtspraak.nl/">Raad voor de Rechtspraak</dcterms:publisher>
      <dcterms:language>nl</dcterms:language>
      <dcterms:title rdf:language="nl">ECLI:NL:RBDHA:2016:13039 Rechtbank Den Haag , 02-11-2016 / AWB - 16 _ 5177</dcterms:title>
      <dcterms:abstract resourceIdentifier="../../rs:inhoudsindicatie" />
    </rdf:Description>
  </rdf:RDF>
  <inhoudsindicatie id="ECLI:NL:RBDHA:2016:13039:INH" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema">
      <parablock>
        <para>Nu vast staat dat eiseres samen met haar moeder en haar minderjarige kinderen op hetzelfde </para>
        <para>Brp-adres stonden ingeschreven en verder ook niet is gebleken van een schriftelijke huurovereenkomst, </para>
        <para>heeft verweerder de moeder van eiseres terecht aangemerkt als haar toeslagpartner.</para>
      </parablock>
    </inhoudsindicatie>
  <uitspraak id="ECLI:NL:RBDHA:2016:13039:DOC" lang="nl" xml:space="preserve" xmlns="http://www.rechtspraak.nl/schema/rechtspraak-1.0" xmlns:xsi="http://www.w3.org/2001/XMLSchema-instance" xmlns:xsd="http://www.w3.org/2001/XMLSchema" xmlns:xlink="http://www.w3.org/1999/xlink">
  <para>
    <emphasis role="bold caps">Rechtbank DEN HAAG</emphasis>
  </para>
  <parablock>
    <para>Team belastingrecht</para>
  </parablock>
  <parablock>
    <para>zaaknummer: SGR 16/5177</para>
  </parablock>
  <section>
    <title>proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van <?linebreak?>2 november 2016 in de zaak tussen</title>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>
      [eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres<?linebreak?>(gemachtigde: mr. dr. drs. P.H.J. Körver),</title>
    <para />
    <parablock>
      <para>en</para>
    </parablock>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>de Belastingdienst/Toeslagen, kantoor [kantoorplaats] , verweerder.</title>
    <para />
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>De bestreden beslissing op bezwaar </title>
    <para>De beslissing van verweerder van 12 mei 2016 op het bezwaar van eiseres tegen de hierna  te noemen beschikkingen zorgtoeslag en kindgebonden budget voor het berekeningsjaar 2015.</para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Zitting </title>
    <para>Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2016. Eiseres is verschenen, vergezeld van een tolk en bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door  [persoon 1] . </para>
    <para />
  </section>
  <section role="beslissing">
    <title>Beslissing</title>
    <para>De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. </para>
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Overwegingen</title>
    <para>1. Bij in één geschrift vervatte beslissingen van 1 april 2016 heeft verweerder de voorschotten zorgtoeslag en kindgebonden budget over het jaar 2015 herzien naar respectievelijk nihil en € 1.748.</para>
    <para />
    <para>2. Bij beslissing op bezwaar van 12 mei 2016 zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>3. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of verweerder [persoon 2] , de moeder van eiseres, terecht heeft aangemerkt als haar toeslagpartner.</para>
    <para />
    <para>4. Eiseres stelt dat haar moeder ten onrechte als haar toeslagpartner is aangemerkt.</para>
    <para />
    <para>5. Verweerder stelt dat de toeslagpartner van eiseres haar moeder is, omdat die op hetzelfde adres als eiseres staat ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) en er op het Brp-adres ook een minderjarig kind staat ingeschreven. </para>
    <para />
    <para>6. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) wordt in aanvulling op het eerste lid voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de Brp als de belanghebbende en die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven, behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander. </para>
    <para />
    <para>7. Vast staat dat eiseres in het jaar 2015 samen met haar moeder en haar minderjarige kinderen op hetzelfde Brp-adres stonden ingeschreven. Nu verder ook niet is gebleken van een schriftelijke huurovereenkomst, dient de moeder van eiseres ingevolge artikel 3 tweede lid, aanhef en onder e, van de Awir als haar toeslagpartner te worden aangemerkt. In de wet wordt verweerder geen mogelijkheid gegeven om hiervan af te wijken. Dat de moeder van eiseres in 2015 geen inkomen heeft genoten, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank begrijpt dat deze wettelijke regeling negatief voor eiseres uitpakt, maar verweerder heeft niet anders kunnen en mogen besluiten. </para>
    <para />
    <para>8. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder de moeder van eiseres over het berekeningsjaar 2015 terecht aangemerkt als haar toeslagpartner. Het beroep is dan ook ongegrond verklaard.</para>
    <para />
    <para>9. Voor een proceskostenveroordeling heeft de rechtbank geen aanleiding gezien.</para>
    <para />
    <parablock>
      <para>Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.</para>
    </parablock>
    <para />
    <para />
    <para />
  </section>
  <section>
    <title>Rechtsmiddel</title>
    <parablock>
      <para>Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)</para>
    </parablock>
  </section>
</uitspraak>
</open-rechtspraak>